We beginnen met een blik op de cijfers, meer bepaald op de ‘vijfjaarsoverleving’ van mensen met kanker. Wat is dat, die vijfjaarsoverleving? En wat zeggen de cijfers?
Prof. Smits: ‘De vijfjaarsoverleving (zie tabel hiernaast, red.) is de gemiddelde kans om vijf jaar na de diagnose van kanker nog in leven te zijn. In 1950 was dat gemiddeld maar 20 tot 25 procent van de patiënten. De geneeskunde beschikte toen natuurlijk over veel minder mogelijkheden dan nu.’
Prof. Stroobants: ‘Daarna worden de cijfers snel beter. In 1980 was de vijfjaarsoverleving al gestegen tot ongeveer 40 procent, in 2022 zelfs tot 69 procent. De vooruitzichten op een langer leven en zelfs genezing zijn voor veel kankers vandaag beter dan ooit.’
In die gemiddelden zit wel veel variatie. Het ene type kanker is zeer goed behandelbaar, het andere moeilijker.
Prof. Stroobants: ‘Bij prostaatkanker (98,1 procent), melanoom (95,2 procent) en borstkanker bij vrouwen (92,2 procent) is de vijfjaarsoverleving het grootst. Met dikkedarmkanker zitten we op 71,9 procent.’
Prof. Smits: ‘Bij longkanker (26,5 procent), slokdarmkanker (26,3 procent) en pancreaskanker (14,4 procent) zijn de vooruitzichten op langere termijn nog niet zo goed. Daar moet dus nog veel onderzoek naar gebeuren. Dat is trouwens volop bezig: ook voor die patiënten zitten er innovatieve behandelingen in de pijplijn.’
Prof. Stroobants: ‘Hoe dan ook blijft de beste kans op genezing: er vroeg bij zijn. Laat je screenen en ga bij klachten op tijd naar de dokter.’
De behandeling van kanker is op elk vlak beter geworden. Ook de chirurgie?
Prof. Smits: ‘Kleine tumoren worden steeds vaker met een kijkoperatie weggehaald: via enkele kleine openingen worden kleine camera’s en instrumentjes binnengebracht om het zieke weefsel weg te snijden. Daardoor knappen patiënten sneller op.'
'Maar ook bij open chirurgie zijn de technieken verbeterd en wordt er minder gezond weefsel beschadigd. Bij robotchirurgie bijvoorbeeld bedient de chirurg via een joystick zeer kleine en precieze instrumentjes. Onder andere voor urologische en gynaecologische ingrepen is dat een grote hulp, want dat is vaak millimeterwerk.’
Prof. Stroobants: ‘Vroeger sneed de chirurg meer weefsel weg om meer garantie te hebben dat alle tumorcellen weg waren. Nu worden de snijranden soms tijdens de operatie naar het lab gestuurd en meteen op kwaadaardige cellen gecheckt. Intussen wacht het operatieteam op het resultaat. In de toekomst zal die controle steeds vaker in de operatiezaal zelf gebeuren. Nog sneller dus.'
'De UGent werkt momenteel aan zo’n techniek. Men spuit voor de operatie een radioactieve stof in. Die dringt alleen binnen in de kankercellen en wordt zichtbaar onder een speciale camera die in de operatiekamer staat. Zijn de snijvlakken nog niet helemaal kankervrij, dan neemt de chirurg wat extra weg.’