Het is een schitterend zonnige dag. We kunnen bij Willy thuis buiten onder de luifel zitten met zicht op de mooie tuin. ‘De tuin, dat is mijn vrouw Martine die dat allemaal doet, daar heb ik geen verdienste aan. We zijn samen veel gaan wandelen, veel gaan fietsen, maar voor de rest was ik altijd bezig, op pad of achter mijn computer.’
Tijdens het mooie gesprek loopt Martine af en aan, zorgt voor koffie, water, koekjes. Telkens als ze naar de keuken gaat, raakt ze Willy zacht en lieflijk aan. Heel mooi om zien. Nu het nog kan, denk ik onwillekeurig. ‘Het is zijn beslissing’, zegt ze even verder in het gesprek, ‘maar ik steun hem in alles.’
Willy wou sociaal assistent worden. Dat kan geen toeval zijn, het sociale zat er toen al in. Maar hij luisterde naar de raad van zijn ouders. ‘Zo ging dat toen’, vertelt hij, ‘ik moest apotheker studeren en tja, ik was er in mijn eerste jaar niet door. Een befaamde prof zei: “U mag nog veel komen, meneer Schepers, u haalt het nooit.”’ De prof kreeg ongelijk, Willy maakte een mooie carrière. Niet aan de universiteit, maar wel bij een verdeler van farmaceutische producten.