‘Mijn mama is er altijd. We kunnen goed met elkaar praten, maar moeilijke gesprekken voer ik liever alleen. Binnenkort heb ik een afspraak om mijn wensen voor mijn begrafenis vast te leggen. Ik weet dat mama me daarin wil steunen, maar ik durf vrijer spreken als ze er niet bij is. Ik wil haar niet kwetsen. Haar zien wenen vind ik het ergste.’
Lotgenoten
‘Ik deel mijn verhaal graag, omdat ik merk dat mensen er kracht uit halen. In het begin zocht ik zelf ook naar gelijkaardige ervaringen. Die herkenning deed deugd. Ik hoop dat anderen dat ook bij mij vinden. Ik krijg veel berichten via Instagram, maar het lukt me niet om ze allemaal te beantwoorden. Dat is gewoon te vermoeiend.’
‘Zelf zoek ik minder contact met lotgenoten. Ik weet dat er initiatieven voor jongeren met kanker bestaan, maar die spreken me niet echt aan. Ik heb het gevoel dat ik dan vooral over mijn ziekte zou moeten praten, en dat schrikt me af. Ik zie mezelf niet als kankerpatiënt. Ik wil het daar ook niet altijd over hebben.’
‘Ik wil lotgenoten vooral aanmoedigen om niet op te geven. Er worden veel negatieve verhalen verteld, maar trek je op aan de positieve en laat je omringen door mensen die je energie geven.’