Baarmoederhalskanker komt voor bij vrouwen van alle leeftijden, maar het meest bij vrouwen van 25 tot en met 64 jaar. Daarom biedt de Vlaamse overheid vrouwen tussen 25 en 64 jaar aan om een uitstrijkje te laten nemen. Baarmoederhalskanker ontwikkelt zich heel langzaam. Met het uitstrijkje kunnen voorstadia en ook beginnende baarmoederhalskanker worden opgespoord, nog voor je er zelf iets van merkt. Door deze voorstadia (indien nodig) te behandelen kan baarmoederhalskanker alsnog worden voorkomen. Door baarmoederhalskanker in een vroeg stadium te behandelen, is de kans op een succesvolle behandeling groter.
Tussen 30 en 64 jaar
Vrouwen tussen 30 en 64 jaar krijgen elke vijf jaar een uitnodiging van het Centrum voor Kankeropsporing (CvKO) om deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Bij hen gebeurt het onderzoek via een HPV-test. Die test spoort het virus op dat kanker kan veroorzaken, en is gevoeliger dan de Pap-test (zoals het klassieke uitstrijkje genoemd wordt). De test in het bevolkingsonderzoek wijst uit of het virus al dan niet aanwezig is in het lichaam. Alleen als het virus aanwezig is, volgt een test op afwijkende cellen (de Pap-test). Dergelijke cellen kunnen voorlopers zijn van kanker.
Tussen 25 en 29 jaar
Studies tonen aan dat de HPV-test gevoeliger is dan de Pap-test, en dus meer opspoort. Daardoor kan de HPV-test de incidentie van baarmoederhalskanker meer doen dalen, althans voor vrouwen boven de 30 jaar. Bij de jongere vrouwen (25-30 jaar) is dat niet aangetoond. Bij vrouwen tussen 25 en 29 jaar is er dus een uitstrijkje waar eerst een Pap-test op gebeurt en indien nodig een HPV-test. Zij krijgen elke drie jaar een uitnodiging.