Katleen: ‘Het nieuws dat mijn zus ernstig ziek was, raakte me diep. Maar al snel maakte de schok plaats voor vragen. Hoe kon ik Katrien ondersteunen? Waar kon ik helpen? Meteen schoot ik in actie met potten en pannen. Ik begon ovenschotels te bereiden. Maar ik wilde uiteraard meer doen en nam me voor om zoveel mogelijk met haar mee te gaan naar onderzoeken en behandelingen, ook al woon ik niet in haar buurt.’
Katrien: ‘Die belofte heeft Katleen ruimschoots waargemaakt. Het lastigste moment was toen ik naar het ziekenhuis moest om te horen of de kanker uitgezaaid was. Mijn partner ging mee. Maar toen ik thuiskwam, zat Katleen me met een bos bloemen op de stoep op te wachten.’
Katleen: 'Ik wist dat die onderzoeken een spannend moment waren voor mijn zus. De uitslag wachtte ik niet af. Ik sprong in de auto en reed naar haar toe. In het beste scenario wilde ik het goede nieuws samen met haar vieren, in het slechtste moest ik er zijn om haar op te vangen. Toen ze aankwam, glimlachte ze breed. De kanker was niet uitgezaaid. We vielen elkaar voor het huis in de armen en begonnen te huilen. Dat was een heel mooi moment.’
Katrien: ‘Er volgden nog veel mooie momenten. Voor mij is die hele kankerperiode er vooral een van verbinding en dankbaarheid. Mogen voelen hoe graag je gezien wordt, is overweldigend. Ik ben nooit alleen naar het ziekenhuis moeten gaan. Altijd was er wel iemand die tijd vrijmaakte om me te vergezellen. Ook Katleen ging vaak mee. Moest ik naar de dagkliniek voor chemotherapie, dan kroop ze gewoon bij me in het ziekenhuisbed. We lachten ons een kriek of voerden net heel ernstige gesprekken. Het kon alle kanten uit, maar fijn was het sowieso. Had ik een afspraak bij een arts, dan ging ze mee om te luisteren. Door de stress en mijn chemobrein vergat ik veel; Katleen was mijn vervanggeheugen.’
Katleen: ‘Kon ik eens niet met Katrien mee, dan voelde ik me schuldig en zorgde ik er altijd voor dat ze wist dat ik in gedachten bij haar was. Zo stuurde ik haar ’s morgens eens een kinderfoto van ons waarop we elkaar een bloemetje gaven. Zo wist ze: ook vandaag denk ik aan jou.’