Katlijn Willems

Mijn man en ik lepelden samen het leven leeg

Katlijn Willems over verder leven als koppel als de dood nabij is

Uit Leven • Editie 108 • Oktober 2025

Katlijn Willems (57) werkt al jarenlang als psychotherapeut, vaak met mensen in rouw. In 2022 kwam het verlies plots heel dichtbij. Haar man Peter Demeulenaere, zelf huisarts en palliatief arts, kreeg te horen dat hij een uitgezaaide prostaatkanker had. Twee jaar later overleed hij thuis, in het koppelbed waar ze in elkaars armen konden liggen. 

Auteur: Catherine Verguts • Fotograaf: Filip Claessens

Stel je vraag over kanker

Contacteer de Kankerlijn

Bel 0800 35 445
Ma-vr 9-12u en 13-17u
Chat met de Kankerlijn
Ma-vr 9-12u en 13-17u
(vermijd Edge als browser)

Katlijn zet koffie, haalt diep adem en begint te vertellen. ‘Het voelt kwetsbaar om dit te delen’, zegt ze. ‘Ik ben lang niet elke dag stoer. Maar ik praat graag over hem.’

Drie uur later staat mijn notitieboek vol. Vol diep verdriet en ook vol warme liefde van twee mensen die elke dag begonnen met de vraag: ‘Heb ik je vandaag al gezegd dat ik je graag zie?’ Want verdriet en vreugde lopen door dezelfde pijplijn: ‘Als ik verdriet afsluit, sluit ik ook de vreugde af.’ 

Katlijn Willems

Hoe is het verhaal van Peters ziekte begonnen?

Katlijn Willems: ‘Na een kerstfeest met de familie klaagde hij over rugpijn. Van een slechte stoel, dacht hij. Hij had er eerder ook al last van, maar toen stak hij het op werkstress. Hij liet een röntgenfoto (RX) nemen. Toen moet hij al geweten hebben dat het niet goed was. Dat was waarschijnlijk de enige keer dat hij me niet meteen alles vertelde.’

‘Er volgde snel een bloedonderzoek. Peter stuurde me een sms: “We kunnen om kwart voor zes bij de uroloog terecht. Ga je mee?” Natuurlijk ging ik mee, zoals later naar elk onderzoek. De arts schoof z’n computer aan de kant, pakte een onooglijk klein papiertje en zei: “Vertel eerst eens.” Dat was zo menselijk. Peter legde alles uit, op zijn eigen, milde manier. Na het onderzoek zei de uroloog: “Dat is geen goed nieuws.”‘

‘We hebben in de gang staan huilen in elkaars armen. Spijtig genoeg is er dan in een ziekenhuis geen plekje beschikbaar om even samen te bekomen. Onze wereld stond stil. Onderweg naar huis kon ik Peter niet in zijn ogen kijken – alsof het dan te veel werkelijkheid werd. ‘s Avonds zei Steven Van Gucht in het journaal: “Na zware coronamaanden wordt het eindelijk een mooie lente en zomer.” Dat was niet hoe wij het toen in onze cocon aanvoelden.’

‘Er was al vanaf de diagnose een tweesporenbeleid. We wisten dat hij palliatief was, dus zetten we volop in op kwaliteit van leven. We stelden bijvoorbeeld een behandeling uit voor een reis met de hele familie en pasten voor een zware behandeling. Maar we gingen absoluut óók voor levensverlenging. Misschien schrokken we er zelf van hoe hard we daarvoor gingen. We wilden al het haalbare proberen, vroegen een tweede opinie. Peter zei: “Het enige wat ik voor je kan doen, is zo lang mogelijk blijven leven.” Elke dag samen telde.’ 

Dat doet me denken aan een ‘gouden gloed’ in die laatste maanden – het leven extra voelen als het einde nadert. Herken je dat?

‘Onze eerste reflex na het nieuws? Zoals bij zóveel mensen: we stoppen met alles. Maar toen kwam het besef: we gaan leven. Niet in ontkenning, maar we lepelen het leven leeg. We bleven werken. Dat deden we altijd al met passie. “Viva la vida” werd Peters slagzin.’

‘‘s Ochtends – met een koffie in bed – filosofeerden we. Droomden we ook, nog steeds. We noemden het onze “ochtendmijmeringen”. Op een dag stonden we in een winkel en zagen we een chique kofferset. Veel te duur, eigenlijk. Op de parking keken we elkaar aan – en keerden om. We daagden het lot uit en kochten ze gewoon. En ja, die koffers hebben we nog vaak gebruikt.’

‘We hadden altijd veel gereisd, dus dat bleven we doen. Zo stonden we na de chemokuur samen op een bergtop in Oostenrijk: hij bleek, ik bang, maar toch stonden we er. Of we reden naar Frankrijk. Alleen wij twee, met stokbrood en wat kaas in een hutje op een camping.’

‘We hadden geen hoop meer op nog vele jaren, maar we kozen ervoor om hoop te dóén. Geen grote bucketlist, gewoon blij met elke extra dag. Zo hebben we in alle volheid afscheid genomen.’ 

We hadden geen hoop meer op nog vele jaren, maar we kozen ervoor om hoop te dóén. Geen grote bucketlist, gewoon blij met elke extra dag.

Hoe heeft jullie familie Peters ziekte ervaren?

‘Peter vertelde het aan zijn kinderen. Ik zie hem nog zitten aan het hoofd van de tafel. Hij legde bijna technisch, als arts, uit wat er aan de hand was. “We gaan ertegenaan”, was vooral de conclusie die dag. Als herinnering begonnen twee van zijn vier kinderen later ook een podcastserie. Collega’s, vrienden, familie praatten aan de microfoon. Op het einde sprak Peter zelf – een uur lang. Ik luister daar nog vaak naar, ook om zijn stem te horen. Intussen maakten Peters kinderen ook een podcastserie voor anderen (op Spotify: ‘Zeg het maar. Hoe kunnen we afscheid nemen?’, red.).’

‘Peter was in zijn werk altijd al overtuigd van het belang van familiegesprekken. We hebben daarom ook de kleinkinderen goed ingelicht. Eerst over de ziekte van opi, dan ook over zijn sterven. Eigenlijk begrepen zij dat verrassend goed. En ze gingen er zo lief mee om: een van hen gaf Peter een armbandje met een rood ballonnetje – om hem naar de hemel te brengen.’ 

Katlijn Willems

En de bredere omgeving?

‘We werden gedragen. We wisten waar we hulp konden vragen – en durfden dat ook. We beseften: mensen wíllen graag helpen. Als je zorg toelaat, ben je ook iets aan het geven. Mensen schreven ons brieven, brachten gigantische hoeveelheden eten – soep op de dorpel, diepvriezers vol. Via WhatsApp kregen we foto’s van kaarsjes in kerkjes ver weg of van een boeketje bloemen. Zo’n bericht helpt als je even de moed niet vindt om te praten. Al die tekenen van liefde, dat raakte me. Dat raakt me nog altijd.’

Hoe bleven jullie elkaar vinden toen het afscheid dichterbij kwam?

‘Ik stopte met werken. Iets wat ik anders nooit zou doen maar nu voelde dat juist. Ik werd zijn mantelzorger – al vind ik dat een lastig woord. Het kwam zo natuurlijk. Ik bleef vooral zijn partner en zorgde uit liefde. We probeerden zoveel mogelijk nog man en vrouw te zijn. We hebben elkaar nooit gespaard en beschermd, niet “de olifant in de kamer” geplaatst. We hebben veel samen gehuild, elkaar moeten loslaten was de grootste pijn. Op een nacht kreeg hij hoge koorts: sepsis. “Ik heb een koude wind gevoeld, de dood is gepasseerd”, zei hij daarover.’

‘Die week in het ziekenhuis had hij regelmatig pijn. Naast hem zitten en niks kunnen doen ... dat is hard. Maar ik bleef zorgen. Het was alsof we elkaar in evenwicht hielden: als hij het zwaar had, voelde ik me krachtiger – en omgekeerd.’

‘Toen hij daarna thuiskwam, was hij alleen nog maar liefde voor iedereen. Mensen kwamen langs, zaten bij hem, hielden zijn hand vast. Het klinkt misschien raar, maar ik vond het soms moeilijk om hem te delen. Dat gevoel kende ik niet. Toen ik dat zei, lachte hij nog: “De liefde moet wel nog groot zijn.”‘ 

Katlijn Willems

‘Op 14 februari moesten we opnieuw naar het dagziekenhuis. De arts zei: “Peter, we weten allebei dat je je 65ste verjaardag niet meer haalt.” Hij was jarig begin maart. Hoe voorbereid je ook denkt te zijn – zo’n datum komt hard binnen. Het was de meest intense Valentijn ooit.’

‘Op een ochtend werd hij wakker en voelde hij hoe het sterven begon. Hij vroeg of hij zich mocht laten gaan als de dood kwam. Ik stemde toe. Hij keek mij en alle kinderen die dag nog eens recht in de ogen. Peter was niet bang voor de dood, hij had hem in zijn werk al zo vaak gezien.’

‘Na zijn overlijden bleef hij thuis, op een ijsbed. Tot diep in de nacht zaten we rond zijn bed, vertellend.’ 

Peter zei: “Het enige wat ik voor je kan doen, is zo lang mogelijk blijven leven.” Elke dag
samen telde.

Heeft hij nog kunnen zorgen voor jou en voor jullie?

‘Ik denk dat hij nog meer voor ons gezorgd heeft dan wij voor hem. Praktisch: administratie regelen, zijn uitvaart voorbereiden ... en emotioneel. Hij gaf dingen mee, zonder te regisseren hoe het moest. Hij vertrouwde gewoon dat we het goed zouden doen. Hij wilde bijvoorbeeld gebraad met kroketten op zijn uitvaart – daar had hij warme herinneringen aan. Ik lachte: “Maar jij gaat daar niet meer van eten, hè.” Toen heeft zijn zoon het voor hem klaargemaakt als laatste avondmaal.’

‘Maar misschien nog belangrijker? De overgave waarmee hij in dat ziekteproces gestapt is. Hij droeg zijn ziekte, zei eigenlijk nooit dat het te veel was en was dankbaar. Hij onderging. Accepteerde. Zijn grootste zorg was de pijn die zijn afscheid bij ons veroorzaakte. Dat typeerde hem.’

‘Hij schreef me nog een brief, die ik ontving via mijn dochter “drie dagen post mortem”. Hij verzekerde me dat hij er voor mij zou blijven en gaf een opsomming van alle vaak grappige troetelnaampjes die hij ooit voor me gebruikte. Het is een liefdesbrief die ik mijn verdere leven koester.’ 

Lees meer verhalen in het magazine Leven

Veel van onze verhalen zijn ook verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. Abonneer je om geen enkel verhaal te missen!