En de bredere omgeving?
‘We werden gedragen. We wisten waar we hulp konden vragen – en durfden dat ook. We beseften: mensen wíllen graag helpen. Als je zorg toelaat, ben je ook iets aan het geven. Mensen schreven ons brieven, brachten gigantische hoeveelheden eten – soep op de dorpel, diepvriezers vol. Via WhatsApp kregen we foto’s van kaarsjes in kerkjes ver weg of van een boeketje bloemen. Zo’n bericht helpt als je even de moed niet vindt om te praten. Al die tekenen van liefde, dat raakte me. Dat raakt me nog altijd.’
Hoe bleven jullie elkaar vinden toen het afscheid dichterbij kwam?
‘Ik stopte met werken. Iets wat ik anders nooit zou doen maar nu voelde dat juist. Ik werd zijn mantelzorger – al vind ik dat een lastig woord. Het kwam zo natuurlijk. Ik bleef vooral zijn partner en zorgde uit liefde. We probeerden zoveel mogelijk nog man en vrouw te zijn. We hebben elkaar nooit gespaard en beschermd, niet “de olifant in de kamer” geplaatst. We hebben veel samen gehuild, elkaar moeten loslaten was de grootste pijn. Op een nacht kreeg hij hoge koorts: sepsis. “Ik heb een koude wind gevoeld, de dood is gepasseerd”, zei hij daarover.’
‘Die week in het ziekenhuis had hij regelmatig pijn. Naast hem zitten en niks kunnen doen ... dat is hard. Maar ik bleef zorgen. Het was alsof we elkaar in evenwicht hielden: als hij het zwaar had, voelde ik me krachtiger – en omgekeerd.’
‘Toen hij daarna thuiskwam, was hij alleen nog maar liefde voor iedereen. Mensen kwamen langs, zaten bij hem, hielden zijn hand vast. Het klinkt misschien raar, maar ik vond het soms moeilijk om hem te delen. Dat gevoel kende ik niet. Toen ik dat zei, lachte hij nog: “De liefde moet wel nog groot zijn.”‘