‘Voor mij kwam het nieuws totaal uit de lucht gevallen. Mijn eerste gedachte was: mama gaat dood. Hoewel ik op dat moment nog net geen achttien was, voelde ik me heel erg verantwoordelijk. Als mama stierf, zou ik voor mijn twee jaar jongere broer moeten zorgen. En wat als papa opnieuw een burn-out kreeg, zoals een paar jaar eerder? Dan moest ik voor een inkomen zorgen. Dus kon ik maar beter zorgen dat ik mijn einddiploma haalde.’
‘Ook was ik bekommerd over hoe mijn broertje het oppakte. In plaats van verdrietig te zijn, zat ik met al die gedachten in mijn hoofd. Ze waren mijn drive om door te gaan. Het leek alsof ik in een klap volwassen was geworden.’
Eenzaam
‘Jammer genoeg had ik in die periode ook geen hartsvriendin om mee te praten. De vriendschappen uit mijn vorige school waren verwaterd en op de nieuwe school had ik geen echte vrienden. Ik hield me ook heel streng aan de coronamaatregelen om mama zeker niet te besmetten. Dus als er toch een feestje was, ging ik daar niet naartoe. Nooit bleef ik ergens kletsen, altijd keerde ik na school of de handbaltraining meteen naar huis. Dat maakte dat ik me vooral heel eenzaam voelde.’
‘Aan mama en papa vertelde ik niet hoe slecht ik me voelde. Om het hen niet nog zwaarder te maken, trok ik mezelf steeds meer terug. Als ze ook nog voor mij moesten zorgen, zou er minder zorg en aandacht naar mama gaan, redeneerde ik. Bovendien had ik het gevoel dat ik het allemaal wel zelf kon. Ze vroegen heel vaak hoe het met me ging, maar dan zei ik altijd dat ik oké was. Ik functioneerde op automatische piloot.’