Daar staan we dan. Op de gang. De coassistent belt direct het gemeentehuis van het nabijgelegen dorp. We krijgen de afdeling burgerzaken aan de lijn en ik zet mij schrap voor allerlei bureaucratische rompslomp en god-weet-wat-voor belachelijke vragen.
De werkelijkheid is totaal anders. Na het hele verhaal gedaan te hebben, blijkt dat alle deuren direct opengaan. De burgemeester wordt voor de nodige handtekeningen uit een belangrijk raadsoverleg gebeld. Een leger ambtenaren is acuut beschikbaar voor raad en daad. ‘Paspoorten niet aanwezig?’, vraagt de mevrouw van de gemeente. ‘Boeie’, zegt ze in een adem. Wow. Binnen nog geen 50 minuten regelen we samen een hele trouwceremonie inclusief getuigen en een trouwambtenaar. Het hoort vast allemaal niet bij mijn taakomschrijving. Maar what the heck. Dezelfde middag kunnen ze trouwen.
Ondertussen rukt de halve facilitaire staf van het ziekenhuis uit om een stilteruimte om te toveren tot complete trouwkapel. De keuken maakt een taart. Ongelooflijk. Dit is zorg. Dit is zoveel zorg.
De zon zakt langzaam achter de bomen in de verte. In het zachte schijnsel staat ze naast hem. Hij zit, benauwd. Intens gelukkig. Hun handen gevouwen. Het maakt een onuitwisbare indruk.
In de enkele maanden van zijn ziekte hebben zij een indrukwekkend niveau van eenwording bereikt. Vol kracht en liefde stemmen ze in met de huwelijksbelofte en zweren trouw tot ver, ver na de dood. Aan het einde rest niets dan liefde.
De coassistent wenkt mij. Een betraand gezicht. Samen lopen we weg. We huilen. Op de gang. Dat mag als professional natuurlijk vast niet. Het interesseert me geen fluit.
Diezelfde nacht overlijdt hij. Aan tafel. Naast zijn vrouw.