‘Zodra het beter met je gaat, komen mensen jou allerlei dingen vragen. Ze vragen niet naar je omgang met de dood, ze vragen advies over het leven. Over de keuzes die ze gemaakt hebben of willen maken. Als je gezond bent en je bent niet tevreden, wanneer ben je dat dan wel? Wat wil je met je leven? Dan denk ik: tja, moet je echt leukemie hebben vooraleer je je leven in handen neemt? Voor je beslissingen neemt? Ik ben toch ook niet opeens schaapsherder geworden? (lacht)’
Een hoogbejaarde man loopt voortdurend met mij mee. Als het hem allemaal weer even te veel wordt, laat hij zich langzaam in mijn lichaam zakken. Onzichtbaar maar onontkoombaar neemt hij mij over.
‘Die oude man is een metafoor om uit te leggen wat ik ervaar. Hij is mijn vaste metgezel geworden. Veel mensen die kanker overleven, zijn twee keer zo vermoeid als mensen die gezond zijn. Na de middag lukt lezen mij niet meer, maar wandelen wel. Zo organiseer ik mijn dagen rond de oude man. Het is een akelig gevoel wanneer hij binnen sijpelt. “Dat is precies wat ik ook voel”, lieten veel lezers me weten. De oude man is door veel mensen herkend.’
Onlangs schreef ik over geestelijke groei na een levensbedreigende ziekte. Hoe we misschien beter kunnen worden in hoofd en hart. Beter in tegenslag incasseren, beter in loslaten van mensen die niet willen vasthouden, beter in direct contact met de blijvertjes.
‘De keuze voor het betere, het diepere, dat zal een leidraad blijven, dat weet ik wel zeker. Nodigt een vriend me uit voor een concert, dan ga ik liever met hem lunchen: dan kunnen we echt praten. Die andere dingen zijn ook leuk en als je àlles kan doen, doe maar. Maar als je beperkt bent in tijd en energie, dan moet je scherpe keuzes maken. Ik merk dat veel mensen die kanker hebben overleefd behoefte hebben aan dat diepere contact. Je krijgt en je geeft heel veel.’