Die avond had ik dus bewust voor een plaats onder de spiegel gekozen, met zicht op mijn vrienden en de zaal. Zij mochten naar zichzelf kijken. Ik liever even niet. Ik bestelde een ‘graangevoerde gegrilde Australische ribeye’ met salade en frieten en het water kwam me al in de mond met de menukaart nog in de hand. Ik herinnerde me hoe me dat vroeger smaakte en al had ik ditmaal bescheidener verwachtingen, het genot op voorhand was al de helft van het plezier. En dan was er de wijn …
Vriend J. is een kenner. Hij zette zijn bril recht en stelde de leek die ik ben de simpele vraag: ‘Wit of rood?’ ‘Rood’ zei ik. Het werd een Chianti Classico Riserva gemaakt van de sangiovesedruif. Het jaar ben ik vergeten, ik zei het al: ik ben een leek. Maar ik besefte dat het lekker ging zijn en een hele verademing na al de cola die ik dagelijks op doktersadvies dronk om niet misselijk te worden.
Ik wou dat het nog eens smaakte alsof een engeltje op mijn tong pieste. Ik walste de donkerrode wijn in het glas, zoals J. me ooit geleerd had. Ik probeerde, met weinig succes, de vrijgekomen geur op te snuiven. Liet de eerste slok ronddraaien in mijn mond terwijl ik lucht inzoog om de aroma’s op te vangen. Helemaal volgens de regels dus en het engeltje bleek ondanks alles toch op het appel.
De wijn smaakte heerlijk, al kan het ook deels aan het contrast met de limonade te wijten zijn. Halverwege de maaltijd merkte ik wel dat ik soms raar werd bekeken, maar dat gebeurde nog dezer dagen. Pas later, in de autospiegel, ontdekte ik waarom. Mijn lippen zagen paarsblauw, mijn hele mond was verkleurd, tanden en tong inbegrepen. Bepaalde stoffen in de rode wijn en een te droge mond na de chemo bleken bij mij geen goede combinatie. Maar het had gesmaakt, en dat was het belangrijkste.