Chemotherapie bij hersentumoren

Chemotherapie wordt meestal toegepast bij patiënten met een graad II-, III- en IV-glioom. Vaak wordt na de chirurgie bij een hersentumor chemotherapie aan een lage dagelijkse dosis gecombineerd met radiotherapie. Voor zeer uitgebreide tumoren of voor tumoren die na behandeling met chirurgie en radiotherapie weer gaan groeien, is het soms nog de enige mogelijke behandeling.

De naam ‘chemotherapie’ verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of de groei ervan remmen. Deze celdelingremmende medicijnen (cytostatica) worden via de mond ingenomen of in de bloedbaan gebracht met een infuus, zodat ze zich in het hele lichaam verspreiden.

De twee meest gebruikte cytostatica bij hersentumoren zijn temozolomide en lomustine. Beide worden ingenomen via de mond. Lomustine wordt ook gebruikt in combinatie met twee andere geneesmiddelen: procarbazine en vincristine (volgens het PCV-schema).

Niet alle kankercellen zijn gevoelig voor deze medicijnen. Daarom wordt meestal een combinatie (een ‘cocktail’) van cytostatica voorgeschreven.

Bijwerkingen

Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, een ontstoken mond, een verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, een doof of slapend gevoel en/of tintelingen in de handen en voeten … Haarverlies komt bij chemotherapie met temozolomide en lomustine bijna niet voor.

Nevenwerkingen verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de soort medicijnen, de hoeveelheid medicijnen en de duur van de behandeling. Om klachten zoals misselijkheid en braken tegen te gaan, wordt meestal preventief al de gepaste medicatie opgestart, die zo nodig tijdens de behandeling kan worden aangepast.

Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Na een behandeling van een hersentumor kunnen bepaalde bijwerkingen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, doof gevoel in de vingers en voeten ... Meld bijwerkingen altijd aan uw behandelend arts die u raad kan geven hoe u er het best mee omgaat.

Meer informatie