Jan: ‘Al heel vroeg in zijn ziekteparcours vroeg Peter of ik met hem mee wilde naar de consultaties. In eerste instantie omdat je dan met twee bent om de uitleg van de dokter te horen en dat is altijd handig. Maar ook omdat hij iemand aan zijn zij wilde om hem figuurlijk recht te houden. Ik twijfelde geen moment. En zo zat ik al snel bij ieder doktersgesprek naast hem. Ik bracht hem ook naar de chemotherapie en bracht hem naar het ziekenhuis telkens hij geopereerd moest worden. Peter kan niet meer genezen en zijn behandeling zal dus levenslang zijn. Ik probeer er altijd te zijn. Daar kruipt veel tijd in, maar ik heb het voor hem over. Lukt het eens niet om op een doktersafspraak aanwezig te zijn, dan volg ik graag mee via videocall.’
Peter: ‘Mijn ouders, mijn kinderen of mijn voormalige partner – met wie ik trouwens nog een uitstekende band heb – vraag ik liever niet mee naar het ziekenhuis. Dat weegt te veel voor hen. Aan Jan durfde ik die vraag wel stellen. Omdat hij geen familie is, maar ook omdat ik toen al wist dat hij goed is in het luchtig houden van de dingen. Hij heeft een geweldig gevoel voor humor, maar weet ook perfect wanneer grappen niet gepast zijn. Soms heeft Jan geen woorden, maar met een glimlach of handgebaar weet ik wat hij wil zeggen. Hoe hij ook reageert, het is altijd juist. Dat is heel troostend. En als zijn reactie toch eens ongepast is, dan weet ik dat ik hem daar zonder meer op kan wijzen. Ik wens iedereen echt zo’n vertrouwenspersoon, een goeie kameraad in je leven, of een onbekende die zegt “Ik draag jou nu”, iemand bij wie het niet weegt om over kanker te praten.’