Lees hier meer over de nadelen van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker:

  • Overdiagnose en overbehandeling
    Soms wordt een tumor gevonden die zonder de screening onopgemerkt gebleven zou zijn. Maar omdat niemand kan voorzien of hij levensbedreigend zal worden, wordt elke ontdekte borstkanker behandeld.
    Het grootste nadeel van de screening is tegelijk ook het minst zichtbare: de overdiagnose. Bij sommige vrouwen, die zich gezond voelen, wordt een tumor gevonden, die zonder de screening onopgemerkt zou zijn gebleven. Het probleem is dat op het moment van de diagnose niemand kan voorzien hoe de tumor zich verder zal ontwikkelen en of hij uiteindelijk problemen zal geven. Omdat men ook niet achteraf kan beoordelen hoe de tumor zich zonder behandeling zou hebben ontwikkeld, is overdiagnose dus niet zichtbaar en ook niet meetbaar. Dat betekent dat de kans bestaat dat een borstkanker ontdekt wordt die onnodig wordt behandeld. De meeste experts zijn het erover eens dat voor elk vermeden overlijden aan borstkanker er ook één overdiagnose gebeurt. Volgens sommigen komt overdiagnose nog vaker voor.
  • Soms wordt een afwijking tóch niet gevonden bij screening.
    Ondanks de strenge normen voor de apparatuur, bediening en beoordeling van de mammografie, komt het voor dat een afwijking niet wordt gevonden. Ongeveer 3 op 10 borstkankers worden niet ontdekt omdat ze gemist worden op de mammografie, omdat ze nog niet zichtbaar zijn op de mammografie of omdat ze op het moment van de mammografie nog niet bestaan. De kans bestaat dat in de twee jaar tussen twee screeningsmammografieën een vlug groeiende, agressieve borstkanker ontstaat die er nog niet was op het moment van uw screeningsmammografie. Dat heet een intervalkanker.
    Uit cijfers van het Centrum voor Kankeropsporing uit 2007 blijkt dat van alle vrouwen die in dat jaar een negatief resultaat (geen afwijking dus) ontvingen, er één op de vierhonderd vrouwen binnen de twee jaar toch een borstkanker ontwikkelt. Het is daarom aangeraden om tussen twee screeningsmammografieën zelf aandacht aan uw borsten te besteden

  • U bent misschien nodeloos ongerust
    Het resultaat van het onderzoek wordt niet onmiddellijk meegedeeld, dit kan tot drie weken duren.
    Soms vinden specialisten iets abnormaals op de mammografie, maar na bijkomend onderzoek (biopsie) blijkt er niets aan de hand. Dat  heet een vals-positief resultaat. In dat geval heeft u toch een kleine ingreep moeten ondergaan en heeft u zich mogelijk nodeloos zorgen gemaakt.

  • Blootstelling aan straling
    Als er een mammografie wordt genomen, komt er komt straling vrij. De huidige mammografietoestellen zijn echter zo ontworpen dat het gevaar voor de gezondheid tot een minimum wordt beperkt. In het kader van het Vlaams bevolkingsonderzoek zijn er organisaties die de stralingsdosis nauwlettend in de gaten houden. De stralingsdosis van de toestellen die worden gebruikt bij het bevolkingsonderzoek is zeer laag. Om de hoeveelheid straling te beperken, wordt de borst bovendien enigszins samengedrukt.

    De hoeveelheid straling verschilt per test en wordt uitgedrukt in millisievert (mSv). Een mammografie komt gemiddeld overeen met 0,24-0,48 mSv. Een röntgenfoto van de borstkas komt gemiddeld overeen met ongeveer 0,05 mSv, een CT-scan van de borstkas met ongeveer 7-8 mSv. Ter vergelijking: elke inwoner van België staat gemiddeld bloot aan 2 mSv per jaar (voor het grootste deel is dat achtergrondstraling uit de grond, uit gebouwen en uit onze voeding). Een mammografie komt overeen met het risico van zes weken tot drie maanden natuurlijke stralingsbelasting. Ook als u in de voorbije twee jaar andere röntgenfoto’s hebt laten nemen (bijvoorbeeld bij de tandarts of na een breuk), kunt u gerust een mammografie laten nemen.

    Het risico op borstkanker als gevolg van röntgenstraling blijkt sterk af te hangen van de leeftijd bij blootstelling: hoe ouder, hoe lager het risico. Dat is een van de argumenten om het bevolkingsonderzoek naar borstkanker slechts vanaf 50 jaar te organiseren. Over het optreden van borstkanker na een mammografie, al dan niet binnen een borstkankeropsporingsprogramma, zijn nog geen gegevens beschikbaar. Men maakt wel risico-inschattingen. Voor vrouwen in de leeftijdsgroep 50 tot 60 jaar bedraagt het risico op borstkanker als gevolg van röntgenstraling door deelname aan het Vlaams bevolkingsonderzoek naar borstkanker 14 op 100.000. Dat betekent dat men er van uitgaat dat op 100.000 gescreende vrouwen er 14 gevallen van borstkanker veroorzaakt zullen worden (of 1 op 7143 gescreenden). Voor vrouwen in de leeftijdscategorie van 60 tot 70 jaar bedraagt het risico 10 op 100.000. Experts gaan ervan uit dat bij de leeftijdsgroep 50 tot 69 jaar de voordelen groter zijn dan de nadelen. Volgens de gegevens uit het huidige programma worden door de screening 6 borstkankers opgespoord per 1.000 gescreende vrouwen in de leeftijdsgroep van 50 tot 69 jaar. Vergelijken we dit aantal met de risico-inschatting voor borstkanker als gevolg van de screening, dan worden 50 keer meer kankers ontdekt door de screening dan dat er worden veroorzaakt. Juist omdat jongere vrouwen gevoeliger zijn voor de straling, wordt een routinematige mammografie bij jongere vrouwen niet aanbevolen.