Want de dokter was nog niet uitgepraat. ‘Normaal gesproken zouden we u onmiddellijk opereren, maar dat is onmogelijk’, opperde hij. ‘We hebben door corona geen bedden vrij op intensieve, enkel de heel dringende operaties worden nog uitgevoerd. Uw ingreep moet dus wachten. We plannen die voorlopig over anderhalve maand. Op voorwaarde natuurlijk dat er dan wel plaats is.’ En precies dat laatste zinnetje was er te veel aan. Zette de poort naar de hel op een kier.
Een kankervonnis hadden we twintig jaar geleden al overleefd. De perspectieven voor mijn borstkanker waren toen minder goed maar er was een strijdplan dat onmiddellijk in werking trad. Operatie, behandelingen, pillen, infusen. Afspraken om erger te voorkomen en het vooruitzicht op een reconstructie: we klampten er ons aan vast. De tijd sjokte voort met een welgevulde agenda. Een pijnlijk programma, daar niet van. Maar we konden iets doén om het lot te verschalken terwijl nu … Niks is erger dan machteloos te moeten toekijken. Nagelbijtend wachten terwijl je beseft dat de klok tikt en de kanker de mogelijkheid krijgt om meer schade aan te richten.
Niemand heeft wellicht de coronacijfers nauwlettender gevolgd dan wij en al die weken dat de curves bleven stijgen, zonk de moed ons meer en meer in de schoenen. De besmettingen, ziekenhuisopnames en doden spookten rond in ons huis tot de positiviteitsratio van Sciensano eindelijk positief nieuws bracht. De dag dat nieuwsanker Steven Van Gucht met een aarzelende lach in zijn mondhoeken een stagnatie, ja, zelfs een daling van het aantal patiënten kon aankondigen, bekeken mijn man en ik mekaar met groeiende hoop en gekruiste vingers. Zou het?