Mag ik in dit tranendal eens een positieve noot laten klinken? En wel deze: kanker verbreedt je woordenschat.
Wie rechtstreeks of zijdelings met woekerende cellen geconfronteerd wordt, kan niet anders dan zich het medisch jargon eigen maken of je dreigt buiten spel te staan tijdens de onderhandelingen. Want al is er in het dokterskabinet veel vooruitgang geboekt, toch jongleren sommige artsen nog graag met medische termen waarmee je een boer van zijn paard kan slaan. Een geneesheer of -vrouw gebruikt ze wellicht alle dagen maar debuterende patiënten horen het in Keulen donderen.
Er was veel dat ik niet verstond toen ik voor het eerst met kanker in aanraking kwam. Ik werd horendol van woorden als aromataseremmer, BRCA1-mutatie, lobulair carcinoom, inframammaire huidplooi, mastectomie, neoadjuvante therapie, ductaal carcinoom, triple-negatieve borstkanker … Goed dat ik als journaliste het gewoon ben om onbeschaamd uitleg te vragen, daarop is mijn hele carrière gebaseerd. ‘Wat bedoelt u?’ Of het simpele ‘Dat versta ik niet’. En ik kreeg, dat moet ik toegeven, telkens de gepaste uitleg. Maar o wee als er meer dan één dokter naast je bed staat. Dan toeteren je oren en geraak je onvermijdelijk het noorden kwijt. Voel je je rijp voor de slachtbank, zonder verweer te kunnen bieden.
Uit een studie van enkele jaren geleden bleek dat vier op de tien Belgen niet begrijpen wat hun dokter zegt. Bij de keuze van een huisarts kwam ‘een goede uitleg’ op de derde plaats.