Toen het eerste nummer van Leven in januari 1999 verscheen, schreef ik nog geen column over kanker. Om de simpele reden dat ik pas twee jaar later tegen wil en dank ‘ervaringsdeskundige’ werd.
Voor mij en voor de wereld waren het toen andere tijden. Die maand werd de euro ingevoerd maar stak ons spaarvarkentje nog vol franken. Johan Cruijff werd Voetballer van de Eeuw, Apple bracht de Power Macintosh G3 uit, Dominique Monami werd Sportpersoonlijkheid van het Jaar en het Amerikaans congres opende het impeachmentproces tegen de overspelige president Bill Clinton. Daar was ik als journaliste mee bezig, niet met woekerende cellen. Al heb ik het nieuwe tijdschrift toen wel gelezen. ‘Goed dat mensen stilaan open over kanker durven praten’, zei ik weinig origineel. Een dooddoener van jewelste, excusez le mot.
De goed geschreven verhalen pakten me wel, maar waren tegelijkertijd ver van mijn bed verwijderd. Mijn lieve vader was veel te jong aan een uitgezaaide tumor gestorven, maar daar hadden zijn ontberingen in een krijgsgevangenenkamp veel mee te maken, dachten we toen. Zijn maag en darmen waren al langer beschadigd omdat ze gras hebben moeten verteren. Die kanker had gebruikgemaakt van een lichaam dat al te veel had doorstaan en geen weerstand meer kon opbrengen. De oorlog was voor mij het ongeneeslijke kwaad dat uitgeroeid moest worden.
Zelf was ik ervan overtuigd kerngezond te zijn, en misschien was ik dat toen nog ook. Ik las ook dat (toen) één vrouw op de negen borstkanker kreeg maar ik was ervan overtuigd dat ik bij die acht anderen was. Met reden, ik viel zowat buiten alle risicofactoren. Ik rookte niet en was niet te dik. Mijn borsten hadden twee zoons gevoed en ik zat niet stil. Een doorsneeplaatje van een doorsneevrouw die kans maakte om zonder struikelen honderd te worden. Ik voelde me onaantastbaar. Dat bleek na de eeuwwisseling een grove misrekening.