Veel mensen vinden het moeilijk om een gesprek te beginnen met iemand die kanker heeft. Zeker als u van nature niet zo’n prater bent, is het extra moeilijk om een ingrijpende ziekte als kanker ter sprake te brengen. Wat zegt u beter niet?

  • Doen alsof er niets aan de hand is.
  • Zelf veel praten. Luister vooral!
  • Niets over uzelf vertellen. Zie het ziekenbezoek niet als een eenzijdig contact. In veel gevallen is het best op zijn plaats om iets over uzelf te vertellen, zeker als de ander ernaar vraagt. Het kan een prettige afleiding zijn.
  • Uitgebreid over uw eigen zorgen en leed vertellen. Laat uw eigen verhaal los.
  • De ander geruststellen of aanmanen tot optimisme of positivisme. ‘Positief denken!’, of ‘blijven vechten’, die uitspraken kunnen soms verkeerd vallen
  • Voorbeelden geven van mensen bij wie het (heel) goed of (heel) slecht gegaan is. Elke situatie is anders!
  • Zeggen ‘wat zie je er goed uit’. Als u dat echt vindt, is het beter om bijvoorbeeld te zeggen ‘Met alles wat je doormaakt, heb ik er bewondering voor hoe je het voor elkaar krijgt er zo verzorgd en goed uit te blijven zien’.
  • Goedbedoeld advies of goedbedoelde raad geven (‘Doe dit of dat’). Suggesties aanreiken kan wel (‘Zou het je kunnen helpen om …’), maar probeer de ander nooit iets op te dringen.
  • Zeggen ‘ik begrijp het’ of ‘ik weet hoe je je voelt’. Helemaal begrijpen wat er in de ander omgaat, kunt u niet, zelfs niet als lotgenoot, want elke situatie is anders en elke persoon beleeft zijn of haar ziekte anders.
  • Overdrijven met aandacht of cadeaus. Maak de situatie niet dramatischer dan ze is.