Ik wist dat ik overmoedig was en dat herstellen van kanker tijd vraagt, maar toch bleef ik euforisch genieten van mijn wederopstanding. I’m still standing zingt Elton John met enige trots. Ik zat dan wel het grootste deel van de tijd rechtop in een rieten zeteltje, ik lag tenminste niet meer op apegapen. Dit kunnen ze me niet meer afpakken, dacht ik. En: hier ben ik weer. Mijn verwerkingsproces was buitenkomen. Mensen zien. Mezelf zijn. Schrijven ook natuurlijk, dat hoort bij de aard van het beestje. Zelfs in tijden van grote ellende. Wie schrijft, die blijft, nietwaar.
Tijdens mijn behandeling publiceerde ik columns, fris van de lever. 25 jaar geleden was de kankerbibliotheek nog heel bescheiden, Facebook en aanverwanten bestonden nog niet met als gevolg dat ik honderden brieven en kaarten kreeg van lotgenoten. Getuigenissen die me hielpen, troostten en moed gaven. Dat was maar goed ook want psychische hulp stond een kwarteeuw geleden nog niet in het programmaboekje van de kankerpatiënt. Het waren die onbekende lotgenoten die me deden beseffen dat ik niet alleen was. Dat kanker meestal geen doodvonnis is en het leven daarna bij velen niet moet onderdoen voor dat van tevoren.
De angst heeft zich gelukkig niet blijvend in mijn hoofd genesteld en roert zich alleen even bij de jaarlijkse controle. Kwestie van niet te vergeten waar ik vandaan kom en hoeveel geluk ik heb gehad. De dag weer onbezonnen plukken lukt jou vroeg of laat ook wel, Robbert.
Ik moet er geen zwarte gedachten meer mee verdrijven, maar toch heb ik weer een column geschreven. De zoveelste over kanker. Ik hoop alleen, lieve lezer, dat je nu niet zucht …