Mijn moeder zat op de rand van haar bed toen ik haar al wenend vertelde dat ik een lotgenote was geworden.

Column Frieda Joris - We gaan ervoor

Uit Leven • Editie 110 • April 2026
Frieda Joris

Frieda Joris, journalist en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor 'Leven' vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris • Fotograaf: Joost Joossen

Stel je vraag over kanker

Contacteer de Kankerlijn

Bel 0800 35 445
Ma-vr 9-12u en 13-17u
Chat met de Kankerlijn
Ma-vr 9-12u en 13-17u
(vermijd Edge als browser)

‘Ik heb niet zo’n goed nieuws’, zei de arts toen Free zich voor een controleafspraak meldde (zie Schouder aan Schouder Free en haar mama Els) ‘Wil je er je ouders bijhalen?’ Haar moeder Els hoorde toen voor de tweede keer dat er kanker vastgesteld werd bij een van haar drie kinderen. Eén keer een kind met kanker is gelukkig al uitzonderlijk. Twee keer zo’n vonnis krijgen is meer dan onmenselijk.

Ik dacht bij het lezen niet alleen aan dat gezin, maar ook aan de dokter die zo’n boodschap moet overbrengen. Hoe doe je dat op een zo zacht en medelevend mogelijke manier, zonder de harde waarheid te verdoezelen?

De oncoloog die mij indertijd als eerste moest aankondigen dat ik borstkanker had, zal dat ook niet met plezier hebben gedaan. Just another day at the office? Niet in zijn geval, dat begreep ik achteraf. Toen kenden we elkaar nog niet en zelfs het feit dat ik ditmaal in een wachtkamer op de afdeling oncologie zat, drong niet echt tot me door. Struisvogelpolitiek zonder dat ik me ervan bewust was. Ik moest ook echt lang wachten en mocht pas als laatste binnen. Ze waren met twee om me op te vangen. De arts en een verpleegkundige of maatschappelijk assistent, ik weet het niet zo goed. Mijn ontvangstcomité voor een wereld waarin ik niet wilde terechtkomen. Maar wie wel?

Met mij kan je naar de oorlog gaan. En als iedereen weer opstaat, zak ik wel door mijn benen.

De dokter viel met de deur in huis, terwijl hij me nauwlettend in de gaten hield. ‘Ik ga er geen doekjes om winden. Het gezwel is kwaadaardig en moet eruit.’ Ik zat daar, zei niets en staarde als een zombie voor me uit. De oncoloog hield zijn adem in en wachtte even. Ik meende zelfs enige opluchting te zien. Wellicht blij dat hij zonder al te veel emoties het avondeten met zijn gezin zou halen.

‘Wanneer kan je naar het ziekenhuis komen?’, vroeg hij uiteindelijk. En kijk, bij zo’n simpele vraag kon ik tot actie overgaan. Ik nam mijn agenda en antwoordde: ‘Maandag’. Gevolgd door een hoogstpersoonlijke interventie: ‘Hoeveel pyjama’s, handdoeken en washandjes breng ik mee?’ Ik kreeg een folder en de vraag: ‘Gaat het wel?’ Natuurlijk ging het. Ik stond recht, zei nog dat ik maandag op de afspraak zou zijn en stapte buiten. Recht naar mijn auto, mijn gezin en onze tranen. Typisch ik. In tijden van nood eerst handelen, later pas verwerken. Met mij kan je naar de oorlog gaan. En als iedereen weer opstaat, zak ik wel door mijn benen. Zoals toen ik thuis binnenkwam. Ik werd daar opgevangen door de vertrouwde armen van mijn halve trouwboek en onze zoons. Ik weet zeker dat die arts dat ook verkoos.

Wat later volgde het moeilijkste gesprek dat ik in mijn leven heb moeten voeren. Mijn moeder vertellen dat ik borstkanker had terwijl uitgerekend zij bij ons thuis herstellende was van dezelfde ziekte. Dokters die slecht nieuws moeten brengen hebben meestal een leidraad die ze kunnen volgen, al went het natuurlijk nooit. Maar hoe verpakt een optimist als ik zo’n onheilspellend nieuws? Mijn moeder zat op de rand van haar bed toen ik haar al wenend vertelde dat ik een lotgenote was geworden. Ze huilde niet, ze troostte mij. Net als Els zei ze: ‘We gaan ervoor’. Alleen al die ‘we’ was een zachte balsem op de wonde. ‘We’ betekent samen. In goede en kwade dagen. Bij goed én slecht nieuws.

Jouw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Lees meer verhalen in het magazine Leven

Veel van onze verhalen zijn ook verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. Abonneer je om geen enkel verhaal te missen!