De dokter viel met de deur in huis, terwijl hij me nauwlettend in de gaten hield. ‘Ik ga er geen doekjes om winden. Het gezwel is kwaadaardig en moet eruit.’ Ik zat daar, zei niets en staarde als een zombie voor me uit. De oncoloog hield zijn adem in en wachtte even. Ik meende zelfs enige opluchting te zien. Wellicht blij dat hij zonder al te veel emoties het avondeten met zijn gezin zou halen.
‘Wanneer kan je naar het ziekenhuis komen?’, vroeg hij uiteindelijk. En kijk, bij zo’n simpele vraag kon ik tot actie overgaan. Ik nam mijn agenda en antwoordde: ‘Maandag’. Gevolgd door een hoogstpersoonlijke interventie: ‘Hoeveel pyjama’s, handdoeken en washandjes breng ik mee?’ Ik kreeg een folder en de vraag: ‘Gaat het wel?’ Natuurlijk ging het. Ik stond recht, zei nog dat ik maandag op de afspraak zou zijn en stapte buiten. Recht naar mijn auto, mijn gezin en onze tranen. Typisch ik. In tijden van nood eerst handelen, later pas verwerken. Met mij kan je naar de oorlog gaan. En als iedereen weer opstaat, zak ik wel door mijn benen. Zoals toen ik thuis binnenkwam. Ik werd daar opgevangen door de vertrouwde armen van mijn halve trouwboek en onze zoons. Ik weet zeker dat die arts dat ook verkoos.
Wat later volgde het moeilijkste gesprek dat ik in mijn leven heb moeten voeren. Mijn moeder vertellen dat ik borstkanker had terwijl uitgerekend zij bij ons thuis herstellende was van dezelfde ziekte. Dokters die slecht nieuws moeten brengen hebben meestal een leidraad die ze kunnen volgen, al went het natuurlijk nooit. Maar hoe verpakt een optimist als ik zo’n onheilspellend nieuws? Mijn moeder zat op de rand van haar bed toen ik haar al wenend vertelde dat ik een lotgenote was geworden. Ze huilde niet, ze troostte mij. Net als Els zei ze: ‘We gaan ervoor’. Alleen al die ‘we’ was een zachte balsem op de wonde. ‘We’ betekent samen. In goede en kwade dagen. Bij goed én slecht nieuws.