De tien pijnlijkste minuten toen ik echt begon te twijfelen aan mijn verstandelijke vermogens staan me ook nog levendig voor de geest. Het decor was de parking van het ziekenhuis. Ik wou vertrekken, zette de versnelling in achteruit en mijn auto reed met een schokje naar voren. Zonder erg want hij zoende alleen een struik, maar ik zat verbijsterd achter het stuur. Probeerde het nog eens, en nog eens. Tevergeefs, en ik besefte dat het niet aan mijn auto lag maar aan mij. Ik wist niet meer hoe ik achteruit moest rijden! Ik reed al vier jaar met die wagen, had geen druppel gedronken of was niet in shock door een of ander dramatische gebeurtenis. Hoe kon ik dan zo van slag zijn? Was dit misschien het prille begin van een veel ernstiger probleem?
Vooraleer ik de moed vond voor een volgende poging, besloot ik eerst wat tot bedaren te komen. Ik ben even uitgestapt, heb wat frisse lucht ingeademd, tenslotte schakelde ik altijd vlotjes zonder na te denken. Op automatische piloot, bij manier van spreken. Ik moest in die geestestoestand zien te geraken en wandelde een blokje rond. Nam weer plaats achter het stuur, pakte de pook beet en schakelde zowaar onmiddellijk in achteruit. Ik besefte ook meteen wat ik verkeerd had gedaan. Ik was vergeten de hendel een zuchtje oplichten, wat ik in onverdachte tijden zonder haperen deed. Pas veel later is mijn euro gevallen. De schuldige was mijn chemobrein. Dat dit fenomeen nog jaren na de behandeling kan toeslaan, is sedertdien een goed excuus dat geregeld van pas komt.
PS Het boek van vriendin M. is De Onwaarschijnlijke Reis van Harold Fry geschreven door Rachel Joyce.