Ik zie mijn losgekomen lange lokken nog liggen op het hoofdkussen en verspreid over de vloer van de badkamer. Ik weet nog hoe ik vol verbijstering staarde naar het verstopte afloopputje en vooral naar mijn rattenkop die zonder die haardos alle charme verloor. Aan dat vreselijke kale hoofd heb ik nooit kunnen wennen. Als je iets kwijt bent, weet je pas wat je mist, nietwaar.
Een pruik was mijn redding. Dat kunstig verweven haar maskeerde mijn ellende en was een balsem voor mijn geschokte ziel. Ik zette ze met de slaap nog in de ogen al op en legde ze pas te rusten op mijn nachtkastje als ik zelf onder de wol kroop. Zelfs in het donker bedekte ik mijn kaalheid, want ik sliep met een mutsje omdat een onbedekte kruin koud is in de winter.
Tussen de behandelingen door broedde er weer leven onder mijn valse pruik. Kleine plukjes dons die na elke nieuwe baxter met epirubicine verdwenen. Door de halsstarrigheid waarmee ze telkens weer de kop opstaken, wist ik: dit komt goed. Na het stopzetten van de chemo kwam mijn haar inderdaad terug, maar in een totaal andere vorm dan ik gewend was. Mijn van nature steile bruine lokken herrezen als kleine, witte krullen. Het leek wel de coiffure die de kapper uit St Mary Mead voor Miss Marple had bedacht.
Ik was verrast dat mijn echtgenoot mijn witte haar ‘mooi’ vond. En ik zag er wel het voordeel van in voor onze minder gepigmenteerde toekomst. Zoals Agatha Christie die, getrouwd met een archeoloog, zei: ‘Ik kon niet beter kiezen. Hoe ouder ik word, hoe meer hij van me houdt’. Toch nam ik het zekere voor het onzekere en verfde mijn haar in de oorspronkelijke kleur. Ik vond het alleen erg dat die krullen verdwenen, want ze verminderen, denk ik, de kans op een bad hair day. En op een scheve pruik.