Achteraf kan ik zeggen dat ik niet mezelf was, en dat klopt. Ik was totaal van de kaart, al denk ik dat daar weinig van te zien was. Ik stelde een paar praktische vragen en keek naar ’s mans handen. Stevige knuisten met forse vingers, zouden die wel genoeg Fingerspitzengefühl hebben om mijn wonden fijn te hechten, dacht ik in een gekke opwelling.
De oncoloog hield me ondertussen nauwlettend in het oog want ik was, nietsvermoedend, heel alleen naar de consultatie gekomen. Ik verkeerde in de vaste overtuiging dat ik kerngezond was en de punctie
alleen een vetbolletje aan het licht zou brengen. Weer een misvatting, die kanker tastte ook mijn zekerheden grondig aan. Mijn ware aard uitte zich alleen nog door de tranen die onderweg naar huis voor een troebel wegbeeld zorgden.
De arts heeft mijn vertrouwen gelukkig niet beschaamd en we hebben mekaar in de loop der jaren beter leren kennen. Hij is nu met pensioen en bij zijn afscheid heb ik hem, lachend, een gevaarlijk man genoemd. Toen ik hem die eerste keer zag, betastte hij mijn rechterborst en voor ik het besefte, was ik die kwijt. Ik was dus op mijn hoede toen ik hem na de receptie een hand gaf, en wees hem erop dat hij die niét mocht houden. De kus op zijn wang wel. Ik ben niet haatdragend en die heeft hij meer dan verdiend.