Die ene altijd norse hoofdredacteur lachte zijn tanden bloot, keek stiekem naar mijn rechterborst en schoof een stoel bij. Hij verzekerde me ervan dat hij blij was met mijn terugkeer maar mijn vraag om voorzichtig met halve dagen te herbeginnen, veegde hij gulhartig van tafel. ‘We betalen je weer fulltime, en als je moe bent ga je gewoon naar huis’, zei hij. De man, die ik eerder als een onverbeterlijke cynicus zag, meende het en toonde voor een keer zijn hart. Ik was gelukkig. Zie je wel, ik hoorde er weer helemaal bij. Ik stroopte mijn mouwen op en vloog erin, terwijl de jonge kracht die mijn plaats had bezet prompt naar een ander bureau verhuisde. Sorry, D. Maar ik vermoed dat je mijn overgevoeligheid wel begreep.
‘Begeleiding op maat bij werkhervatting’ bestond meer dan twintig jaar geleden niet en die eerste weken, neen maanden, was ik ’s avonds pompaf. Ik kon alleen nog wat avondeten verorberen en voor de televisie in slaap sukkelen, maar … ik was content. Ik had mijn goed gevulde leven terug, taterde bij de koffiemachine met collega’s en hing niet meer af van een ziekte-uitkering. Maar het werk, dat kon beter. Ik werd ‘gespaard’ en in plaats van grote interviews te doen zat ik gebogen over faits divers. Als: ‘Man tegen boom in Paal’. Heel frustrerend, ik had geen zin om mijn carrière van voren af aan te herbeginnen. Ook al hadden mijn bazen het goed met me voor, ik kon me niet verzoenen met dat ‘aangepast takenpakket’. Ik wou mijn boeiende job terug, al kostte dat massa’s energie die ik verondersteld was te doseren.
Van die gul aangeboden halve werkdagen heb ik nooit gebruikgemaakt, ook al zat ik meer dan eens op mijn tandvlees. Ik heroverde met hoogoplopende discussies mijn vroegere plaats en al snel ging iedereen ervan uit dat ik weer de oude was. Dat was niet het geval, ik liep mezelf soms te pletter. Zoals die man tegen die boom in Paal.