Ik probeer niet in de spiegel te kijken waar haar evenbeeld uitvergroot wordt. Ik slik en maak me zo klein mogelijk. Die woorden zijn immers niet voor mij bedoeld, maar ik hoor ze onvermijdelijk in die kleine ruimte. De dame weet dat. Maar ze moet haar verhaal kwijt, ook al zit er een buitenstaander binnen gehoorsafstand. Ze doet dus alsof ik er niet zit en dat is goed. Ik zou toch niet weten wat te zeggen. Ook van de kapper vraagt ze alleen een luisterend oor, geen medelijden of goede raad. Dat is overbodig geworden op het eenzame punt waar zij zich bevindt. Maar ze wil in dat half uurtje aan E. nog kwijt wat er het zwaarst op haar lever ligt. De kapper krijgt er geen speld tussen.
Ze heeft het over de familie die uiteen is gevallen. Over een broer die ze niet meer ziet en een dochter die een vreemde is geworden. ‘Ze is zelfs op vakantie vertrokken hoewel ze mijn toestand kent’, zegt ze verontwaardigd. De vrienden, de herinneringen, ze passeren de revue. Een wat bijtende parade van wat er misgelopen is in haar leven en dat, naast de kanker, onder dat mantelpakje woekert. En neen, ze klaagt niet over haar toestand. ‘Ik heb er vrede mee, het is wat het is’, en ze haalt met een wat pijnlijke grimas de schouders op.
De dame neemt afscheid met een fris kapsel en alleszeggende woorden: ‘Dag E. Ik denk niet dat er nog een volgende afspraak komt.’ Hij antwoordt, als naar gewoonte: ‘Tot ziens.’ ‘Ach ja, je weet maar nooit’, reageert ze en ze lacht heel even. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat het alsnog met die dochter en die herinneringen goedkomt. De kapper en ik, we hebben die namiddag niet over een vechtscheiding geroddeld …