Ik zeulde het boekje overal mee in een grote schoudertas waarin zowat mijn halve huis-houden vervat zat. Ik loop er tot vandaag een beetje scheef door, maar dat opschrijven was goed voor mijn innerlijke evenwicht.
Ik schreef overal. Te land, ter zee en in de lucht. Bij een koffie op een terras, tussen de rozenstruiken in mijn tuin, wachtend op de trein of in mijn bed. Want ik ont-dekte algauw dat de beste ideeën soms vlak voor het indutten kwamen en legde daarom een potlood en een cahier in mijn nachtkastje. De gedachten worden op dat ontiegelijke uur meestal niet belemmerd door dagelijkse stress en, uitzonderingen niet te na gesproken, door intimiteit, intimidatie, intimitutifrutikutimuti ... Meer dan eens zag ik midden in de nacht Het Licht, maar kon ik ‘s morgens mijn ongetwijfeld bevlogen woorden niet meer lezen of begrijpen. Weer een kans gemist op de Prijs der Nederlandse Letteren. Het Priba-exemplaar kreeg opvolgers voorzien van de meest bizarre covers. Met bloemen en psychedelische tekenin-gen uit de seventies. Het handschrift van Casanova na een reis naar Firenze. Fladderende vogels uit een ondergrondse souvenirshop. Tot ik de afdeling bon chic bon genre ontdekte en voor de onvolprezen Moleskine viel. Zwart en sober, klasse quoi. En die kwam, bij mij toch, pas met de jaren.