Zo simpel was het allemaal natuurlijk niet. Maar het ergste die dag was toch dat ik mijn moeder op de hoogte moest brengen. Ik dacht een tijdje zelfs niet meer aan dat gezwel, ik piekerde alleen nog aan het overbrengen van de boodschap. En die kon niet lang wachten want moeke woonde tijdelijk bij ons. Het herstelverlof na elke chemo verliep zo voorspoedig dat ze uitgerekend toen ik met mijn jobstijding binnenstapte, een paar dagen in haar eigen huis kon slapen. Ik zou haar ’s anderdaags ophalen en ik ben wat emoties betreft een open boek …
Toen ik het haar voorzichtig vertelde, verdween het kleine beetje kleur dat na de behandeling in haar gezicht was achtergebleven. Maar toch bleef ze wonderwel rustig. ‘Ja kind, da’s erg. Ik ben 80 jaar, ik moet toch ooit aan iets sterven. Maar jij bent nog zo jong.’ Het cliché wil dat gedeelde smart halve smart wordt. In ons geval was dat niet zo, het was eerder een dubbele pijn want moeke wist uiteraard wat me te wachten stond. ‘En ik krijg een lichte chemo, jij zal de zwaarste dosis moeten verdragen.’ Daarna zwegen we, en probeerden we onze gedachten te verzetten met onbenulligheden.
Heeft het ons dichter bij mekaar gebracht? Niet echt. We waren al twee handen op een buik, we waren vooral bang om mekaar nog meer te kwetsen dan nodig was. Ik was de toeschouwer geweest die haar pijn wou verzachten, maar stapte noodgedwongen nu zelf op die ellendige rollercoaster. Lotgenote omdat het toeval het zo wou, want erfelijkheid zat er voor niets tussen. We deelden zo min mogelijk onze miserie en spaarden mekaar puur uit liefde. Was dat de juiste aanpak? Geen idee, het dwong ons wel allebei om de zaken positiever voor te stellen dan ze in feite waren. En ergens hielp dat.
Mijn moeder heeft daarna nog drie jaar geleefd en ervan genoten, ook omdat ze zag dat het met mij goed kwam. Ze heeft mijn wederopbouw en zelfs die van mijn borst nog kunnen zien. En al klopt het cliché van die gedeelde smart niet altijd, gedeelde vreugde telt wél dubbel.