Meestal verschijnen die gevaarlijke spikkeltjes op plekken die overdadig aan de koperen ploert zijn blootgesteld zoals een neus, een oorschelp of een decolleté. Bij mij was het anders. Stip nummer één openbaarde zich op mijn voorhoofd onder mijn froufrou. Het leek wel een Indische bindi, een derde oog dat me voor boze geesten moest beschermen maar in feite zelf het kwade vertegenwoordigde. Stip nummer twee ontsierde een plek die het zonlicht nooit zag: daar waar mijn rug van naam verandert. ‘Je hebt je zonnekapitaal opgebruikt’, sprak de dermatoloog. Raar vond ik dat. Tegennatuurlijk.
Want ik ben in juli geboren, als kind van de zomer. De sunny side of the street is altijd mijn speelterrein geweest, ik floreer niet in de schaduw. Ik heb een huid die altijd een beetje gebronsd is en aan zonnebank-bruinen heb ik nooit gedaan. Of toch, één enkele keer lag ik te zweten in een soort van pashok. Met een knijpbrilletje onder zoemende lampen, mijn rug ongemakkelijk op een harde plastic ondergrond. Afschuwelijk vond ik dat, niet voor herhaling vatbaar. Dan liever mijn zacht ligbed in de zoelte met zicht op bloeiende hortensia’s.
Mijn moeder zong tijdens de vaat liedjes uit de Driestuiversopera. Ze stierf twintig jaar geleden maar ik hoor nog altijd de tekst van Bertolt Brecht weergalmen: ‘En men ziet slechts die in ’t licht staan. Die in ’t donker ziet men niet’. Nog een reden om de helderheid boven het duister te verkiezen. Zonder zon geen leven. Maar met te veel zon al evenmin.
De schrik zit erin en ik heb ondertussen een aanvaardbare balans gevonden in mijn haat-liefdeverhouding met de zon. Liters zonnecrème, een mooie strooien hoed en een vaste plaats onder de schaduwrijke takken van de perenboom. Ik slorp de stralen minder gulzig op, hamster toch vitamine D en gelukshormonen en pak alsnog een kleurtje. Ik kijk naar de poes en zing: Summertime, and the living is easy ...