I will survive zingt Gloria Gaynor terwijl ik mijn auto redelijk behendig op de parking van het ziekenhuis manoeuvreer. Vriendelijk van die zangeres, maar mij moed inspreken om dit vervloekte oord te betreden is niet echt meer nodig. Het is immers niet de eerste keer dat ik de deur van de kankerafdeling open. Dat is al meer dan twintig jaar een jaarlijkse gewoonte die ik niet kan of wil missen. Omdat bij een verleden met kanker die vaste controles beter werken dan hout afkloppen of een konijnenpoot op zak hebben.
Ik zal niet beweren dat ik de pijlen naar de afdeling oncologie fluitend volg. Want - al geef ik het niet graag toe - ergens diep vanbinnen blijft een klein duiveltje alert. Overdag snoer ik dat onding de mond maar ’s nachts, als ik weerloos ben, profiteert de kwelgeest ervan om zijn staart te roeren. Door de nachtmerries vlak voor een controle blijft die visite een penibele onderneming, hoezeer ik er ook van overtuigd ben dat het wel mee zal vallen. Maar zodra ik klaarwakker ben, hou ik de moed erin. Vandaar dat ik het lied van de discoqueen een beetje overbodig vind.
Tot ... Tot ik de kankerafdeling en de voor mij verleden tijd betreed. Ik steek een vrouw in een rolstoel voorbij en de vage geur van chemo die ze uitademt, zet in mijn hoofd alle lichten op rood. Ocharme denk ik, die dame zit er nog middenin en bij haar heeft dat duiveltje ook overdag nog vrij spel. Mijn hart bloedt en als ik de wachtzaal binnenkom, wordt het niet beter. De patiënten, lotgenoten die nog in behandeling zijn, zitten er met hun rug tegen de muur. Letterlijk en figuurlijk. Met pruiken, bleke gezichten en hier en daar een infuus. Stilletjes afwachtend en zich afvragend: wanneer ben ik aan de beurt? Voor de afspraak, of misschien voor erger.