Kanker wordt meer en meer een chronische ziekte en dat is goed nieuws. Want al genees je misschien niet, je zal er tenminste niet meer zo snel aan doodgaan. Zij die het kunnen weten, voorspellen dat de patiënten straks dankzij doelgerichte therapieën een ‘redelijk’ normaal leven zullen leiden. Ik hoop het van ganser harte, maar is daarmee de kous af? Kan je zomaar tussen twee spannende controles in, doorgaan alsof er niks gebeurd is? En hoe reageert de omgeving op een eindeloos aanslepende en grillige ziekte?
Ik moet hierbij denken aan het verhaal van mijn lieve collega B. Haar man heeft al vele jaren kanker. Chronisch, met veel vallen en opstaan. Met ontelbare momenten van hoop en wanhoop. Met onverwachte ziekenhuisopnames, zorgvuldig geplande controles en vooral een koffer vol onzekerheid. Ze hebben zich beiden zoveel mogelijk aangepast aan de situatie. Leven alsof het hun laatste dag is. Leven alsof de morgen niet bestaat, net als in de teksten van de eminente filosoof uit het nabije Noorden André Hazes. En jawel, ze pakken net als hij ‘alles wat kan’ ook al is dat ‘alles’ bij hen verschrompeld tot ‘een heel klein beetje’.
Geen projecten op lange termijn dus maar kleine, haalbare instant-voornemens waarvan ze kunnen genieten. Reizen is er bijvoorbeeld niet meer bij, zelfs een daguitstapje is bijzonder riskant. Een avondje met vrienden is een zeldzaamheid geworden omdat elk etentje op het laatste moment afgebeld kan worden. Er zijn kameraden die de schouders ophalen en zeggen: ‘Niet erg, we vriezen de maaltijd wel in tot een volgende gelegenheid’. Maar er zijn ook vrienden weggevallen die niet met de onzekere situatie om kunnen. ‘Je moet of slecht zijn en sterven, of slecht zijn en beter worden’, zegt B. ‘Maar slecht blijven door een chronische ziekte, daar kunnen veel mensen niet bij.’