De ondertiteling op tv werd te klein. Mijn bril was nooit meer schoon genoeg voor mijn boek. Vooral met mijn linkeroog zag ik een kromme, kronkelende wereld. Deze leukemiepatiënt moest maar weer eens met enge klachten naar het ziekenhuis. Met de bus deze keer.
Best veel piepkleine bloedingen in het linkeroog, constateerden ze bij oogheelkunde. Rechts zat ook wat. Ze kenden het van diabetici. Die kunnen er blind van worden. Bij leukemiepatiënten was het geen bekend beeld. Een paar honderd mensen in Nederland hebben dit soort geheimzinnige bloedingen, zo hoorden we van meekijkende universitaire klinieken. Soms komt het goed, soms gaat alles op zwart. Geen dokter weet waarom.
Weer thuis liet ik mijn beste oog alvast naar de zorgverzekering kijken. De blindengeleidehond bleek nog niet eens wegbezuinigd en die wachtlijst van anderhalf jaar viel me toch mee. We zijn in de zorg inmiddels wel wat gewend. Lastiger leek mij de eis dat hulpvrager en hulphond een heuse match moeten zijn.
Ik zag dat matchen voor me als een soort Tinder, Blinder. Je swipet naar rechts voor de ontmoeting met je hulpvaardige viervoeter. Eerst samen blindemannetje spelen, dan na de wandeling in het bos uitrusten op een bankje, waar je haar diep in de hondenbruine ogen kijkt. Klik.
Tot de volgende dag de hondenbegeleider belt. Die laat weten dat de klik, die match, er toch niet was. Ben je dubbel ziek, word je geghost* door een fitte golden retriever. Ik zag dat gratis hondje bij voorbaat al niet meer zitten.