We gingen ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Alle twee kanker en met twee jonge kinderen thuis. Denken aan onze twee huisartsen, daar kwamen we even niet aan toe. De praktijk zelf dacht ook niet aan ons. Zo gaat dat.
En dat is niet gek, hoorde ik laatst in een universitair ziekenhuis in het noorden van Nederland. Ik mocht daar met een zaal vol huisartsen en onderzoekers spreken over meer aandacht voor de gelukkig steeds vaker voorkomende lange levenstijd na de kankerbehandeling. Jaren waarin nieuwe gezondheidsklachten onverwacht toch weer met die oude diagnose en behandeling te maken kunnen hebben. Huisartsen, zo was het pleidooi die middag, moeten ook jaren later alert zijn op klachten na kanker, zoals botontkalking, angst, hartproblemen, sekszorgen of vermoeidheid.
Mijn eigen specialisten wezen mij eens op het gemak van hun ziekenhuis vol apparaten, scans, biopten en bloedtesten en zeiden dan dat huisarts het moeilijkste vak is. Die moet alles in z’n eentje constateren. Helemaal waar. Wel heb ik bij dat moeilijkste specialisme iets essentieels gemist: een huisarts die na én tijdens de behandeling alert is op bijkomende klachten van lichaam en geest.