Vanuit team rust heb ik jong al meer grenzen gesteld dan ik collega’s zag doen, vertelde ik in Brugge. Ik was betrokken bij de job, maar tot hier en niet verder. Ik had werk, maar ik wás het niet. Zo remde ik de ratrace. Het gaf rust voor thuis waar mijn vrouw een leven zonder werk vormgaf.
Toen ook ik met een beperking thuis kwam te zitten, stond het 2-0 voor team rust. We pasten ons, met pijn en moeite, opnieuw aan. Onze kijk op de wereld veranderde niet: werk is maar een van de levens die je naast elkaar kunt leiden.
Na Brugge bedacht ik me hoe mensen ons zien. Als twee kapotte fabriekjes die niet mee kunnen stomen en puffen in een wereld waar werk op één staat. Volledig doordraaiende fabriekjes horen graag de vraag ‘wat doe je’ om te kunnen vertellen over hun vreselijk interessant rokende schoorsteentjes. En zij vragen graag wat deze voor arbeid ongeschikten in vredesnaam de hele – vast lege – dag doen.
Wij leven, zeggen we dan. Een ander antwoord in deze tijd waarin wat je doet zo bepalend is voor wie je bent. Maar jezelf verliezen in je werk kan ook leven met een beperking zijn. Zo kantelde mijn kijk. Dat is – sorry Jana – mijn late antwoord op die goede vraag.