Ik heb er vaak van gedroomd om te ontsnappen uit het ‘kankerrijk’. ’s Nachts zoek ik dan de grens ervan op. Ergens is de uitgang. Daar wil ik de oude man achterlaten die mij vergezelt. Die ’s ochtends eerst met mij meeloopt, zich dan onvermijdelijk in mij laat zakken en mijn lichaam stap voor stap overneemt. Zonder nog naar hem om te kijken wil ik de gezonde wereld weer in. Waar mensen groente eten zonder buikpijn, en waar een half boek lezen je niet opbrandt, maar energie geeft.
Overdag loop ik voortdurend tegen grenzen aan. Zo heb ik geleerd wie die oude man is. Met zijn langzame opmars in mijn lijf vertelt hij mij wat ik aankan en waar mijn scheidslijn ligt tussen ziek en gezond.
Zo gaat mijn grenswachter mee op visite. Voorzichtig laat hij zich in mij zakken zodat ik naar huis ga nog voordat hij mijn hele lichaam overneemt. Ondertussen klaagt mijn kennis over zijn werk. Manager dit en processen dat. Ik begin aan een werkherinnering. Open mond aan de andere kant van de koffietafel. Chronisch zieken praten niet over werken. Ze zijn werkeloos toehoorder.