Mijn al even zieke vrouw en ik gingen naar de schouwburg. De middagvoorstelling natuurlijk want we zien op tegen een avondje Amsterdam. Afgepeigerd van theater-trein-metro kwamen we thuis. Maar trots. Wie ziek is, mag niet veel. Dan moet je soms stout durven zijn.
We vonden de stad knetterdruk, bekende ik later aan mijn fitfrisse moeder. ‘Jullie zijn dat niet meer gewend’, verklaarde deze 91-jarige monter. Beleven wij zo weinig of beleeft iedereen zo veel?
Als journalist beschreef ik indertijd de opkomst van de beleveniseconomie: hoe we ervaringen zijn gaan kopen om de vrije tijd te vullen. Ik reed ervoor naar een bouwput diep in de Hollandse polders. Hier timmerde een bedrijf in vakantiewoningen aan de sfeer van Zuid-Europa. Waar ik alleen nog maar bouwstaalmatten zag, beleefde de directeur al een uit vers beton gegoten ‘eeuwenoud wijnpakhuis’ dat zomaar in Italië of Spanje had kunnen staan. Dat pand – over een half jaar af – was na honderden jaren omgebouwd tot restaurant, vertelde hij enthousiast. Hij ging nog te maken vergeelde foto’s van vroeger aan de muren hangen. Langs het straks met glas te overdekken al even rustieke terras kwamen palmbomen met eigen verwarming. En dan konden we hier mooi een mediterraan weekje boeken, of beter gezegd, ervaren.
Met die beleveniseconomie is het helemaal uit de hand gelopen. Er zijn beleefboerderijen, toeristen mogen rivieren komen beleven en zelfs de seizoenen – ‘Beleef de lente’ – kun je boeken. Afgelopen zomer hoorde ik hoe vrienden van belevenis naar ervaring raceten met wandelevenementen, festivals en vakanties in al dan niet vers voltooide mediterrane wijnpakhuizen. Hoewel vrij, waren ze druk bezet met wat aan de kassa van de beleveniseconomie als ‘onvergetelijk belevingsconcept’ en ‘spetterend vrijetijdsmoment’ wordt aangeslagen.