Ouderen en kanker. Tineke, 80 en in behandeling voor leukemie

Ik wil de mensen helpen, pas dan ben ik gelukkig
Tineke
Uit Leven, editie 66, april 2015

Sommige levensverhalen lijken zich bij uitstek te lenen voor een dik, spannend boek – zo ook dat van Tineke. Tachtig jaar is ze, en in behandeling voor leukemie. En hoe gek dat misschien ook klinkt: dat laatste lijkt wel bijzaak. Ze is heel moeilijk te been de laatste tijd, maar klagen? Dat staat niet in haar woordenboek. ‘Als ik ergens pijn heb of ik geraak niet uit de zetel, dan zucht ik wel eens: “Jef, wat doet ge mij toch aan?” Maar veel is er niet aan te doen, he. Je moet gewoon voort.’

Auteur: Liesbeth Van den Berghe

Jef is de naam van haar broer. Hij stierf enkele jaren geleden aan kanker en Tineke (ze blijft liever anoniem dus gebruiken we hier niet haar echte naam, red.) heeft het laatste anderhalf jaar van zijn leven voor hem gezorgd. ‘Ik was weduwe en Jef was zijn vrouw eerder ook al aan kanker verloren, dus heb ik hem verzorgd. Eerst bij mij thuis, vervolgens bij hem thuis, zodat hij dichter bij zijn kinderen was. Dat is hoe ik ben: ik wil de mensen helpen. Pas dan ben ik echt gelukkig.’

Veelbewogen leven

Het komt doorheen ons gesprek verschillende keren ter sprake: als ze zich nuttig kan maken voor haar familie, buren, vrienden, dan pas leeft Tineke helemaal op. Gordijnen stikken voor de buren van een stof die ze nog op zolder heeft liggen? Een luisterend oor bieden aan een van haar vele pleegkinderen? 175 paar schoenen kopen om ze te verschepen naar ergens waar men die schoenen goed kan gebruiken? Soep maken voor mensen met honger? Als ze begint te vertellen, is ze niet meer te stoppen. Ze herhaalt het vaak: als ze iets voor anderen kan doen, dan vergeet ze haar eigen zorgen.

Geld hebben is niet belangrijk: als ik morgen mijn ogen sluit, neem ik het nergens mee naartoe.

En die zorgen heeft ze in elk geval gehad: als jong meisje van 17,5 jaar trouwde ze al, en dat huwelijk liep niet zoals het moest. ‘Mijn man wou niet gaan werken en als ik hem daarop wees, kreeg ik ervan langs. We woonden in een stal, zonder ramen, er was geen geld voor niets. Ik kreeg toen zes kinderen, van wie er twee zijn gestorven. Maar ik was te trots, zodat ik nergens om hulp durfde te vragen. In die tijd was het ook niet zo eenvoudig om bij je man weg te gaan: ik ben heel katholiek opgevoed, dus ik vond dat ik het moest blijven proberen, dat ik hem kansen moest blijven geven. Ik ben ervan overtuigd dat ik mijn slechte gezondheid te danken heb aan die dertien jaren van honger en ontbering. Mijn kinderen huilden dat ze wilden eten, en ik moest hen naar de buren sturen voor een boterham omdat ik werkelijk niets in huis had. Ooit stond de deurwaarder aan de deur. Hij keek eens rond en schudde zijn hoofd: daar viel niets meer te rapen. Dat zijn dingen die je nooit nog vergeet.’

Open huis

Ach ja, die bezoeken aan het ziekenhuis, dat lukt wel hoor. Alleen het trekken van beenmerg, dat wil ik nooit meer meemaken. Dat vond ik zo pijnlijk. Maar voor de rest gaat het.

Na dertien jaar leerde Tineke in Lourdes, waar haar ouders haar mee naartoe hadden genomen, iemand anders kennen. ‘Een pracht van een man. We kregen samen nog acht kinderen, hij is vijftien jaar geleden aan kanker gestorven. Kijk, zijn foto hangt daar, centraal in de keuken, zodat hij nog altijd kan zien wat hier allemaal gebeurt. We hebben meer dan dertig jaar lang een goed leven gehad samen en vonden elkaar ook in die drang om andere mensen te helpen:  we hadden onze eigen kroost, maar daarnaast hebben we verschillende kinderen van het jongenstehuis en het kindertehuis een thuis geboden. Bij ons was het een open huis: wie tegen etenstijd binnenkwam, wist dat hij mee mocht aanschuiven. Misschien kwam het door die eerste moeilijke jaren, maar dat heb ik in elk geval begrepen: er zijn veel mensen die het moeilijk hebben, en voor hen wil ik mee zorgen als ik dat kan. Geld hebben is niet belangrijk: als ik morgen mijn ogen sluit, neem ik het nergens mee naartoe.’

Hulp geven en krijgen

Ouderen en kanker

Dat voor andere  mensen zorgen, is nu natuurlijk moeilijker. Sinds 2009 is Tineke zelf in behandeling voor leukemie. Haar volgende doktersafspraak heeft ze over drie weken: een bloedafname op de dagkliniek en een behandeling met chemo en cortisone om de kanker te stabiliseren. Het is slechts een van de vele medische afspraken die haar te wachten staan: op het prikbord in de keuken hangt een overzicht van alle onderzoeken die ze de volgende weken moet ondergaan, want ze lijdt ook aan astma, chronische bronchitis en diabetes. De lijst van medicijnen die ze elke dag moet slikken, is eindeloos. Door haar ziekte kampt ze ook met een gebrek aan weerstand, waardoor ze snel moe is en soms ook moeilijk loopt, met de nodige valpartijen als gevolg.

Elke week komt er iemand van gezinszorg, elke dag iemand van thuisverpleging. En daarnaast krijg ik veel hulp van de kinderen: zij brengen mij naar de dokter, komen kijken of alles in orde is. En elke dag bid ik.

Een hele boterham, maar toch is dat niet waarover ze praat. Het lijkt wel of het ziek-zijn er gewoon bij hoort. ‘Ach ja, die bezoeken aan het ziekenhuis, dat lukt wel hoor. Alleen het trekken van beenmerg, dat wil ik nooit meer meemaken. Dat vond ik zo pijnlijk. Maar voor de rest gaat het: ik krijg nu zelf veel hulp, natuurlijk. Van mijn zoon die vrijgezel is. Hij heeft altijd bij mij gewoond, sinds een jaar wonen we nu in een huisje dat van hem is. Niet te ver uit de buurt van mijn vorige huis, zodat alle buren me nog steeds weten te vinden. Elke week komt er iemand van gezinszorg, elke dag iemand van thuisverpleging. En daarnaast krijg ik veel hulp van de kinderen: zij brengen mij naar de dokter, komen kijken of alles in orde is. En elke dag bid ik.’

Bidden

Ik kan misschien niet meer mijn handen uit de mouwen steken. Maar ik kan nog altijd een kopje koffie en een koekje aanbieden, en luisteren.

Biedt haar geloof een grote houvast? ‘Ja, zeker. Toen mijn man vijftien jaar geleden stierf, heb ik het moeilijk gehad, dat geef ik toe. Ik was boos op God en heb gejankt als een klein kind. Maar ik zei het al: je moet voort. En op mijn eigen manier kan ik nog altijd iets betekenen voor de mensen om me heen. Mijn kinderen zeggen soms wel eens: “Ma, we willen je niet missen.” Maar niemand blijft toch eeuwig leven? In de dagkliniek ontmoette ik laatst een man die net zijn doodvonnis had gekregen. Wel, ik heb hem zijn verhaal laten doen, heb hem gevraagd hoe hij zich voelde. En ik heb hem een medaille gegeven van Onze-Lieve-Vrouwke-van-Rust, en gezegd dat ik elke dag voor hem zou bidden. En dat doe ik nu ook. Hij had daar duidelijk deugd van. Ik kan misschien niet meer mijn handen uit de mouwen steken, zoals ik vroeger altijd heb gedaan. Maar dat kan ik nog altijd: luisteren. Een kopje koffie en een koekje aanbieden, en luisteren.’

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.