Wat betekent kanker voor uw geloof of levensbeschouwing?

Geneeskunde en geloof vormen een prachtig stel
Rkia Tiar
Uit Leven, editie 70, maart 2016

Rkia staat me op te wachten met een brede glimlach als ik op de tweede verdieping van haar appartement uit de lift stap. We drinken Marokkaanse muntthee aan het raam dat uitgeeft op de basiliek van Koekelberg. In de schaduw van dat christelijke monument hebben wij het over haar kanker en haar god.

Auteur: Liesbet De Vuyst, Marc Peirs, Bart Van Moerkerke - Fotograaf: An Nelissen, Eliza Smirnow, Lieven Van Assche
Foto: KotK/An Nelissen, Leven 70, april 2016

Donkere lachende ogen kijken me aan en haar vrolijke stem vult de kamer. Rkia is een warme vrouw, dat merk je meteen. Al jaren werkt ze als zorgvrijwilliger bij Kom op tegen Kanker. Ze gaat naar ziekenhuizen en bij mensen thuis om met patiënten te praten over hun ziekte en over het leven. ‘Als ik mensen kan helpen, ben ik gelukkig’, zegt Rkia.

Zij stond als gezonde vrouw aan de goede kant van de lijn. Maar drie jaar geleden werden de rollen omgedraaid. Rkia werd hulpbehoevend in plaats van hulpverlenend. Ze was net vijftig toen een mammografie een kwaadaardige tumor aan het licht bracht. ‘Dat ik borstkanker had, kwam als een donderslag bij heldere hemel. Je zou denken dat ik door mijn vrijwilligerswerk voorbereid was, maar neen. Ik was in shock toen ik het nieuws hoorde. Een dag om precies te zijn, niet langer. Daarna ben ik in actie gekomen. Er zat iets slechts in mijn borst en dat moest worden bestreden, het liefst op verschillende niveaus tegelijkertijd.’ Rkia leverde zich over aan de geneeskunde en het geloof. Ze werd geopereerd, kreeg radiotherapie en volgt nu nog altijd een hormoonbehandeling. ‘Mijn lichaam werd onder handen genomen, maar ook mijn geest had hulp nodig.’

Beproeving

‘Die hulp heb ik vooral gevonden in de islam. Ik heb mijn ziekte van begin af aan gezien als een soort test. Allah wou mijn positivisme op de proef stellen. 

Allah was er en dat gaf me een veilig gevoel

Ik kon bij de pakken gaan zitten en me afvragen waarom het mij moest overkomen. Maar daar heeft niemand iets aan. Als zorgvrijwilliger kwam ik regelmatig in contact met terminale kankerpatiënten. Bij mij werd een niet agressieve tumor vastgesteld, zonder uitzaaiingen naar de lymfeklieren of andere organen. Ik had geluk. Allah wou me gewoon even wakker schudden, me een teken geven. Tijd om te vertrekken, was het volgens hem nog niet.’

‘Ik heb altijd geloofd, maar mijn geloof is sterker geworden door de ziekte. Wie kanker heeft, kan zelf weinig bijdragen tot het genezingsproces. Je moet je overgeven aan externen zoals artsen en verpleegkundigen. Ik had vertrouwen in de geneeskunde, maar ik deed ook een beroep op Allah. Ik heb ontzettend veel gebeden voor de operatie. Ik heb hem om hulp gesmeekt. Ook tijdens de radiotherapie was mijn geloof een enorme steun. Mijn bestralingssessies verliepen altijd volgens eenzelfde ritueel. Ik nam iedere dag drie dadels mee om in het ziekenhuis op te eten. Dadels zijn gezond en mijn lichaam had toen extra vitaminen nodig. Op het moment van de bestraling prevelde ik gebeden. Op die manier had ik contact met mijn god en dat gaf me een veilig gevoel. Zowel mijn lichaam, als mijn geest moesten regelmatig gevoed en gesterkt worden.’

Foto: KotK/An Nelissen, Leven 70, april 2016

Taboe

‘Allah en ik zijn door mijn kanker closer geworden. Zijn nabijheid heeft ervoor gezorgd dat ik me recht kon houden. Hij heeft me tijdens mijn ziekte veel kracht gegeven, een kracht die me ook nu nog van pas komt. Ik gebruik ze om beter voor mezelf te zorgen en om meer voor mezelf op te komen. Maar ik gebruik de kracht ook om andere mensen te helpen, nog meer en beter dan vroeger. Dat ben ik aan Allah verschuldigd.’

‘Ik bezoek opnieuw zieken voor Kom op tegen Kanker. Waar ik me vroeger wel eens afvroeg of ik dat werk goed deed, twijfel ik nu niet meer. Ik heb zelf aan den lijve ondervonden wat kanker met een mens doet, ik ben een ervaringsdeskundige.’

‘Naast mensen steunen, heb ik nog een andere missie. Ik wil kanker bespreekbaar maken in de moslimgemeenschap. Veel moslims zien kanker als een slechte ziekte, als een straf van Allah. Ze schamen zich als ze een ziek familielid hebben en durven er niet over praten. 

Ik merk dat oudere moslims nog te veel hun lot volledig in handen van Allah leggen en daardoor medische hulp weigeren. Ik probeer die oudere generatie duidelijk te maken dat Allah niet op zijn eentje de ziekte kan bestrijden, maar dat hij de hulp van de dokters nodig heeft.

Ik probeer dat taboe te doorbreken. Ik aarzel nooit om mensen te vertellen dat ik borstkanker heb gehad en ik krijg daar positieve reacties op. Vooral jonge mensen zijn blij als ik erover begin. Je merkt hun belangstelling en al heel snel komen ze zelf met verhalen uit hun eigen omgeving.’

Hoop en positivisme

‘Ik praat met mensen over kanker, en vaak komt bij hen dan het geloof naar boven. Geloven is iets moois en het maakt echt niet uit tot welke god je je richt. Het helpt je om te blijven hopen, om positief te blijven denken. Ik draag die boodschap sterk uit, maar ik zorg er ook voor dat mensen realistisch blijven. Ik merk dat oudere moslims nog te veel hun lot volledig in handen van Allah leggen en daardoor medische hulp weigeren. Ik probeer die oudere generatie duidelijk te maken dat Allah niet op zijn eentje de ziekte kan bestrijden, maar dat hij de hulp van de dokters nodig heeft. De geneeskunde en het geloof vormen een prachtig en krachtig stel’. 

‘Ieder heeft het recht om zijn ziekte op autonome wijze te beleven’

Priester Jan Kaczkowski over geloof en kanker

Foto: KotK/Eliza Smirnow, Leven 70, april 2016

‘Ik zie er niet echt stralend uit. Ik heb een half verlamd been. Maar dat geeft me niet het privilege om te niksen. Integendeel: ik zal actief blijven tot aan mijn sterven.’ Jan Kaczkowski zegt het rustig, zonder stemverheffing, maar net daardoor bijzonder overtuigend. Hij is 38 jaar, priester in Polen en er een bekend mediafiguur. Veel te jong om op de drempel van de dood te staan, en toch: ‘Een geloofscrisis? Neen. Op geen enkel moment.’

‘De politie hield me staande omdat ik blijkbaar aan het zigzaggen was. Ze namen me zelfs een alcoholtest af. Die bleek negatief (lacht). Ook in de dagen nadien merkte ik dat ik bij het rijden telkens naar links afzwenkte. Toen ik tegen de middenberm aan knalde, had ik er genoeg van en ging ik op visite bij de neuroloog. Hij verwees me naar de scanner. Dat onderzoek toonde een tumor in mijn rechter hersenhelft.’

‘Omdat ik als priester vaak in een dagcentrum voor palliatieve patiënten werk, ben ik vertrouwd met pijn en een naderend levenseinde. Nu moest ik die zaken plots op mezelf betrekken. Ik weet niet of een man in België, net als in Polen, niet geacht wordt te huilen? Dus hield ik me kranig en stapte naar mijn auto. Daar, in mijn eentje in de wagen, ben ik vreselijk beginnen te wenen. Ik besefte dat ik voor de laatste keer zelfstandig zou autorijden.’

‘Nog dezelfde dag zag ik mijn huisarts. Ze wou me meteen naar het ziekenhuis sturen. Ik pruttelde tegen: het weekend is voor een priester de drukste tijd van de week. Maar de arts zei: “Vader, mocht je een been hebben gebroken, dan zou je je laten opnemen. En met deze ernstige ziekte zou je opname weigeren?”  Het werd een rollercoaster van emoties en behandelingen. Eerste operatie, tweede operatie, radiotherapie, chemotherapie. De tumor groeit, de tumor krimpt. Ups en downs wisselen elkaar in ijltempo af. Dankzij God leef ik nu al meer dan drie jaar met mijn tumor. En ik hoop dat ik nog een beetje in dit leven mag vertoeven.’

De intieme nabijheid van mijn God is voor mij en elke gelovige zeer fundamenteel.

‘Als relatief jonge mens heb ik veel levenshonger. Ik vind elke nieuwe dag een interessant geschenk. Ik lees graag en ik ben dol op filet pur met twee glazen rode wijn erbij (lacht). Ik wou dolgraag blijven leven om de opening van de tweede metrolijn in Warschau nog te zien – dat is ondertussen gebeurd. Dan wou ik blijven leven om te zien hoe de Poolse nationale voetbalploeg zich kwalificeert voor het Europees Kampioenschap volgend jaar – ook gelukt. Zo stel ik mezelf telkens concrete doelen.’

‘Nu ben ik stabiel.  Maar onvermijdelijk zal de ziekte toeslaan en  ga ik sterven. Ik ben niet langer bang om telkens opnieuw mijn bloedresultaten op te halen. In de aardse dimensie zal ik verliezen. Maar omdat ik gelovig ben, denk ik niet dat wij als mensen de hoogste entiteit zijn. Dat is God. ‘

‘Ik ontmoet heel graag mensen. Maar ook ’s avonds, wanneer ik alleen ben, voel ik geen angst of wanhoop. Ik denk na hoe het leven na de dood eruit zal zien. Ik weet niet precies hoe het zal zijn op het moment van mijn dood maar op dit moment ben ik er niet bang voor. Mocht de dood zo vreselijk zijn, dan zouden we allemaal nu al sterven van de schrik (lacht).’

‘Op geen enkel moment heb ik een geloofscrisis gekend. Ik leg geen oorzakelijk verband tussen de kanker en God. God is niet iemand die op een wolk zit, zich in de baard krabt en denkt: wie kan ik niet uitstaan? Wie zal ik kanker sturen? Het zou bijzonder primitief zijn om zo te denken. Iedereen weet dat kanker ontstaat door biologische processen. God heeft daar niets mee te maken.’

Op geen enkel moment heb ik een geloofscrisis gekend. Ik leg geen verband tussen de kanker en God. God is niet iemand die op een wolk zit, zich in de baard krabt en denkt: wie kan ik niet uitstaan?

‘De kanker heeft mijn geloof nog verdiept. Elke dag, wanneer ik de eucharistie opdraag en de hostie in mijn hand houd, besef ik dat Jezus voor ons zijn lichaam heeft opgeofferd. Wanneer wij zijn lichaam tijdens de eucharistie tot ons nemen, is Jezus telkens weer aanwezig. Onze God staat dicht bij ons. Hij staat naast mij in mijn lijden. Hij neemt deel aan ons leed. Laat me toe nog even terug te keren naar de scène toen ik huilend in mijn auto zat. Wel, ook toen voelde ik dat Christus naast mij zat en dat hij samen met mij heeft gehuild. Die intieme nabijheid van mijn God is voor mij en elke gelovige zeer fundamenteel.’

‘Ik heb een half verlamd been. Ik zie er niet echt stralend uit. Je kan van mijn gezicht aflezen dat ik aan het lijden ben. Maar ik doe door, net zoals de Poolse paus Johannes Paulus II. Ook hij was niet bevreesd om zijn lijden en aftakeling tot het einde te tonen. Elke patiënt heeft het recht om zelf te beslissen hoe om te gaan met zijn ziekte. Ikzelf bijvoorbeeld geef me helemaal over aan de biologie en aan God. Het lijden is deel van het leven. Het geeft je  geen privileges, geen excuus om te niksen. Ik wil tot mijn laatste snik getuigen en actief blijven als priester.’

‘Ik zou iedereen die een kankerpatiënt kent, de raad geven om nooit tegen hem of haar te liegen. Je kan niet zeggen dat alles goed gaat als dat niet zo is. Je kan wel zeggen “Hoe het ook verloopt, ik ben bij jou. Ik blijf.” Het vraagt kracht om die woorden te zeggen en om daadwerkelijk bij de zieke aanwezig te blijven. Die kracht moet je oefenen, je leven lang. Je moet oefenen in het omhelzen, in het uitspreken van lieve woorden. Het kwade zoals deze ziekte krijgt ons niet klein. In onze relatie, in ons gezin, in onze vriendschappen blijven we overeind. We gooien die waardevolle menselijke aanwezigheid niet stuk.’

 

Uw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Zorgvrijwilliger worden?

Laat ons hier weten als u interesse heeft om zorgvrijwilliger voor mensen met kanker te worden. Wij bezorgen u dan meer informatie.

Ontmoetingsmomenten voor vrouwen van Marokkaanse afkomst

Speciaal voor vrouwen van Marokkaanse afkomst: Kom op tegen Kanker organiseert samen met de vrouwenwerking van de Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie van Moslims (VOEM)  ontmoetingsmomenten voor vrouwen met kanker van Marokkaanse afkomst. Eerstvolgende bijeenkomsten: 26 april, 24 mei, 21 juni 2016 in dienstencentrum De Olijftak, Antwerpen. Info: bel Naziha Maher, 0484 30 48 89.

Geloof en levensbeschouwing: bij wie kunt u in het ziekenhuis terecht?

U kunt in het ziekenhuis een geestelijk verzorger op de kamer laten langskomen. Als u het niet zelf kunt regelen, vraag iemand van de sociale dienst er dan naar of kijk of in de onthaalbrochure van het ziekenhuis een formulier zit waarmee u dat kunt aanvragen. Zeker de grotere ziekenhuizen kunnen een katholiek pastor, een protestants pastor, een vrijzinnig moreel consulent, een imam of een rabbijn opgeroepen indien gewenst.

‘Iedereen is op zoek naar zingeving’

Kathleen Van Steenkiste, vrijzinnig humanistisch consulent

Foto: KotK/Lieven Van Assche, Leven 70, april 2016

Kanker schudt de manier waarop je in het leven staat helemaal dooreen. Voor sommige mensen biedt het geloof een kader om met de ziekte om te gaan. Vrijzinnigen moeten die kracht louter in zichzelf en in hun verbondenheid met anderen zien te vinden. Iedereen is op zijn manier op zoek naar zingeving.

Kathleen Van Steenkiste is vrijzinnig humanistisch consulent bij het HuisvandeMens in Gent. ‘We bieden morele bijstand en existentiële zorg aan mensen op momenten in het leven waarop ze er zelf niet meer uit geraken. Wanneer ze voor een belangrijke keuze staan bijvoorbeeld of een verlies hebben geleden. Dat kan het verlies van een dierbare zijn, maar ook het verlies van werk of van gezondheid. Daar staan we samen bij stil. Wat is je overkomen? Hoe heb je tot nu toe geleefd? Welke keuzes heb je gemaakt? Hoe sta je in het leven? Wat zijn je drijfveren, je passies, je waarden, je normen? Welke betekenis geef je aan de dingen en de mensen rondom je? Hoe zie jij je verdere weg? Zowel vrijzinnigen als gelovigen kunnen bij ons terecht.’

Het geloof dat de dood niet het einde is, biedt perspectief. Het geeft rust, controle en steun.

Wat doet een ziekte met de manier waarop iemand in het leven staat?

‘Om dat te begrijpen, vertrek ik van de visie van Roy Baumeister, een Amerikaans professor in de psychologie. Volgens hem moeten er vier behoeften ingevuld zijn opdat mensen, gelovigen of vrijzinnigen, hun leven als zinvol ervaren en zich goed in hun vel voelen. De eerste is doelgerichtheid: mensen hebben behoefte aan een perspectief. De tweede pijler is dat hun handelen in overeenstemming is met hun waarden. Tegen jezelf ingaan, voelt niet goed. De derde is een zekere mate van controle, een beetje greep hebben op je leven. Ten slotte is er de eigenwaarde, jezelf wel oké vinden. Iedereen vult die behoeften op zijn manier in. Ze hangen ook samen, zoals de draden van een spinnenweb. Op het moment van een verlies of als iemand bijvoorbeeld de diagnose kanker krijgt, wordt de invulling van die vier behoeften onderuit gehaald. Je perspectief wordt wankel, je verliest een stuk controle, je vraagt je af of je iets verkeerd hebt gedaan of waarom het jou overkomt. Er komt een gat in het spinnenweb waardoor het aan alle kanten begint te flapperen. Mensen proberen dan om de draadjes weer vast te maken.’

Hoe blijkt dat in de getuigenissen van Jan en Rkia?

‘Rkia geeft betekenis aan haar borstkanker: Allah wil haar op de proef stellen. Ze wil die test doorstaan, ze moet doorgaan. Ze creëert een perspectief want ze gelooft dat Allah vond dat het nog geen tijd was voor haar om te gaan. Ze neemt drie dadels mee naar het ziekenhuis want dat is gezond. Dat gaat over haar eigenwaarde. Tegelijkertijd geeft het haar een beetje controle, ze kan zelf iets doen in het genezingsproces. Ze is er ook meer dan vroeger van overtuigd dat ze haar vrijwilligerswerk met kankerpatiënten goed doet, ze heeft het nu zelf meegemaakt. Ze haalt dus iets positiefs uit haar ziekte. Ook Jan gaat met zijn ziek zijn aan de slag. Hij is ervan overtuigd dat de kanker het gevolg is van biologische factoren, God heeft er niets mee te maken. Integendeel, het is dankzij God dat hij al drie jaar met een tumor leeft en zijn boodschap verder kan uitdragen. Hij geeft zijn ziekte betekenis. Zelfs het lijden krijgt vanuit die optiek zin. Het geloof biedt hun allebei een kader, ze vinden er betekenis en troost in. Het geloof dat de dood niet het einde is, biedt perspectief. Het geeft rust, controle en steun.’

Hoe kunnen vrijzinnigen weer samenhang creëren in dat spinnenweb?

‘Voor hen ontbreekt het perspectief van het hiernamaals. Het leven op zich kan als iets absurds worden gezien: je wordt ongevraagd geboren, je loopt hier een tijdje rond en je bent weer weg. Dat neemt niet weg dat ook vrijzinnigen tijdens dat ene leven op zoek zijn naar zingeving. Ze vinden die niet bij een god, maar bij zichzelf en in de verbondenheid met anderen. Ze kunnen ook steun, kracht en een gevoel van verbondenheid halen uit muziek, kunst, of de natuur. Ze proberen het goede te doen om het goede zelf. Ziek worden is voor hen geen test of geen straf, het is toeval.’

Iedereen vult de vier behoeften waarover u het had op zijn manier in. Evolueert die invulling ook in de tijd?

‘Absoluut. Iedereen heeft een rugzakje. In de kinderjaren wordt dat vooral door anderen gevuld met waarden, normen, scripts. Vanaf de puberteit voeg je er eigen richtingen aan toe. Bij belangrijke gebeurtenissen in het leven wordt dat rugzakje flink dooreengeschud en dat leidt vaak tot nieuwe oriëntaties. Hoe vaak hoor je niet dat iemand na het overwinnen van kanker zegt anders te leven dan vroeger, volgens een herschikt waardenkader.’

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.