Stamceltransplantatie bij non-Hodgkinlymfomen

Voor patiënten met een agressief non-Hodgkinlymfoom dat na verloop van tijd is teruggekomen (recidief), is stamceltransplantatie de standaardbehandeling.

Bij een stamceltransplantatie wordt een patiënt met een zeer hoge dosis chemotherapie (en/of radiotherapie) behandeld. Het doel is om hiermee zo veel mogelijk kankercellen te doden als dat met gewone chemo- en/of radiotherapie niet gelukt is. Door de hoge dosis zullen de eigen beenmerg- en bloedcellen blijvend beschadigd raken, maar daar is stamceltransplantatie een oplossing voor.

Stamcellen, heel jonge cellen waaruit alle andere bloedcellen in het menselijk lichaam ontstaan, kunnen vooraf bij de patiënt afgenomen en bewaard/ingevroren worden. Bij lymfomen gebruikt men meestal de eigen stamcellen (autologe stamceltransplantatie). De stamcellen kunnen ook afkomstig zijn van een donor (een familielid of iemand anders, een allogene stamceltransplantatie). De afname gebeurt rechtstreeks vanuit het beenmerg of vanuit het bloed. De transplantatie gebeurt via een infuus. De opname voor de transplantatie duurt enkele weken.

Bijwerkingen

Na de transplantatie kunnen zich bijwerkingen voordoen als misselijkheid en braken, diarree, slijmvliesontsteking van de mond, moeilijk slikken, gebrek aan eetlust, koude rillingen en koorts …, niet abnormaal na de hoge dosis chemotherapie. 
Voor het herstel van de bloedvorming en van de afweer moet de patiënt rekenen op een periode van enkele weken. De weerstand van de patiënt is in die periode niet optimaal, dus onder meer aandacht voor extra hygiëne en maatregelen in verband met bezoek zijn nodig. De vermoeidheidsklachten kunnen wel langer aanhouden (soms enkele maanden).

Meer informatie