Stamceltransplantatie bij multipel myeloom

Jongere patiënten krijgen meestal in de loop van hun behandeling een stamceltransplantatie met eigen cellen.

Bij een stamceltransplantatie wordt een patiënt met een zeer hoge dosis chemotherapie behandeld. Het doel is om hiermee zo veel mogelijk myeloomcellen te doden, iets wat onvoldoende lukt met een gewone behandeling. Door de hoge dosis zullen de eigen beenmerg- en bloedcellen blijvend beschadigd raken, maar daar is een oplossing voor, door de stamcellen, verantwoordelijk voor de beenmerg- en bloedcelvorming, vooraf te verzamelen.

Stamcellen zijn heel jonge cellen waaruit alle andere bloedcellen in het menselijk lichaam ontstaan. U zou een stamcel dus ook de moedercel van alle andere bloedcellen kunnen noemen. Bloedstamcellen bevinden zich in het beenmerg dat teruggevonden wordt aan de binnenzijde van botten (zoals de wervels, het bekken en het borstbeen). Vanuit deze stamcellen ontwikkelen zich alle rijpe bloedcellen (witte bloedcellen, rode bloedcellen en bloedplaatjes).

Als deze nieuwe stamcellen uw eigen cellen zijn die eerst werden afgenomen, bewaard/ingevroren en dan teruggegeven, spreken we van een autologe stamceltransplantatie. Als de getransplanteerde stamcellen afkomstig zijn van een donor (familielid of iemand anders), spreken we over een allogene stamceltransplantatie. De autologe stamceltransplantatie wordt bij multipel myeloom het meest toegepast.

Een stamcelafname (oogsten = verzamelen van bloedstamcellen) kan op verschillende manieren gebeuren: ofwel rechtstreeks vanuit het beenmerg ofwel vanuit het bloed. De keuze wordt bepaald door de arts op basis van uw leeftijd, gezondheidstoestand en de aard van uw ziekte. Voor een autologe transplantatie worden de stamcellen bijna altijd uit het bloed geoogst.

Specifieke aanpak verwikkelingen

  • Verhoogd calciumgehalte in het bloed, vooral door verhoogde botafbraak. Kan worden aangepakt door intensieve vochttoediening, corticosteroïden en bisfosfonaten (geneesmiddelen die het bot versterken). 
  • Botaantasting met pijn, spontane beenderbreuken. Therapie: adequate pijnstilling, geneesmiddelen die het bot versterken en eventueel radiotherapie/heelkunde.
  • Druk op het ruggenmerg of op een zenuwbundel. Therapie: toediening hoge dosis corticosteroïden, radiotherapie/heelkunde.
  • Verhoogde stroperigheid van het bloed, met gevaar voor vorming van bloedklonters. Therapie: plasmaferese. Deze techniek laat toe bloed van de patiënt af te zonderen en het dikke plasma af te scheiden. Het afgenomen plasma wordt vervangen door gezond donorplasma. Het is een tijdelijke behandeling in geval van te ‘stroperig’ bloed. 
  • Bloedarmoede. Therapie: transfusies, eventueel EPO-injecties. 
  • Infectieneiging door een tekort aan witte bloedcellen en normale antistoffen. Therapie: preventie of gerichte aanpak met antibiotica of andere geneesmiddelen. 
  • Bloedingsneiging door bloedplaatjestekort. Therapie: transfusies. 
  • Verminderde nierfunctie. Therapie: eventueel nierdialyse bij sterk gestoorde nierwerking.

Algemene ondersteunende maatregelen

  • Immobilisatie vermijden: hoe minder in bed, hoe beter
  • Conditieverbetering (wandelen, zwemmen, evt. fietsen) 
  • Spieroefeningen, gericht op versterking van onder meer de rugspieren
  • Pijnbestrijding (vaak zijn morfineachtige pijnstillers nodig)
  • Voldoende vochtinname (ten minste 1,5 liter per 24 uur)
  • Preventie botafwijkingen: bisfosfonaten, bijvoorbeeld Zometa® (één keer per maand, gedurende 12 tot 24 maanden)

Meer informatie