Pijnbestrijding bij kanker

Hoe vroeger behandeld, hoe meer kans op succes
Guy Hans, pijnspecialist

Drie op de vier mensen met kanker kampen in de loop van hun ziekte met matige tot ernstige pijnklachten. Wat kunnen dokters en andere zorgverleners ondernemen tegen die pijn? Wat kunt u zelf doen om de pijn te verlichten? En hoe kunnen uw naasten u helpen? Pijnspecialist professor Guy Hans legt uit wat pijnbestrijding precies inhoudt en waarom het zo belangrijk is om ze tijdig op te starten.

Auteur: Frederika Hostens - Fotograaf: Ivo Hendrikx
Professor Guy Hans, foto Ivo Hendrikx

Niet iedereen die kanker heeft, voelt pijn. Of er al dan niet pijnklachten zijn, hangt in grote mate af van het stadium van de ziekte. ‘Op het ogenblik van de diagnose heeft 20 tot 30 procent van de patiënten last van pijn', stipt Guy Hans aan. ‘Bij een gevorderde kanker spreken we over 80 tot 90 procent.'

1. Welke pijn voelen kankerpatiënten?

Guy Hans: ‘Net zoals bij andere ziektes onderscheiden we bij kanker drie soorten pijn: somatische pijn, viscerale pijn en neuropathische pijn (zie onderaan). Specifiek bij kankerpatiënten manifesteren zich vaak gelijktijdig twee of zelfs drie van die soorten. Welk soort pijn iemand voelt, kan ook fel veranderen in de loop van de ziekte.'

2. Waardoor wordt kankerpijn veroorzaakt?

‘Vroeger dacht men dat pijn bij kanker vooral te maken had met de grootte of het volume van de tumor, doordat hij bijvoorbeeld de doorgang in een orgaan belemmert of op omliggende organen of nabijgelegen zenuwstructuren drukt. Maar dat inzicht kon niet verklaren waarom ook al bij de diagnose - als de tumor meestal nog heel klein is - bijna een derde van de patiënten pijn voelt. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat tumoren chemische stoffen afscheiden die rechtstreeks pijnzenuwen prikkelen en dus pijn veroorzaken. Dat gebeurt volkomen onafhankelijk van de grootte of de plaats van de tumor. Ook de behandeling, chirurgie, radiotherapie en chemotherapie kunnen pijn veroorzaken. Het grote probleem is dat de effecten daarvan vaak blijvend zijn. Zenuwpijn door de toediening van chemotherapie bijvoorbeeld, kan jaren aanwezig blijven, net als zenuwpijn na radiotherapie. De pijn treedt ook soms pas maanden of jaren na de behandeling op, waardoor patiënten vaak de link niet leggen met hun kankerbehandeling.'

3. Hoe kan kankerpijn behandeld worden?

Hoe langer je pijn laat bestaan, hoe ernstiger die wordt en hoe groter de kans ook dat hij niet behandeld kan worden.

‘Het allerbelangrijkste is tijdig beginnen met de pijnbestrijding. Hoe langer je pijn laat bestaan, hoe ernstiger die wordt en hoe groter de kans ook dat hij niet behandeld kan worden. Het is ook essentieel dat de arts eerst nagaat over welk type pijn het precies gaat. Somatische pijn reageert meestal vrij goed op algemene pijnstillers, neuropathische pijn niet. Gelukkig bestaan er andere behandeltechnieken die wel dikwijls succesvol zijn bij neuropathische pijn, zoals elektrotherapie (stroomtherapie die het lichaam stimuleert om morfineachtige stoffen aan te maken, red.) of infiltraties waarbij pijnzenuwen selectief verdoofd worden. De pijnbehandeling moet dus afgestemd worden op het soort pijn. Als je verschillende producten, behandelingen of technieken met elkaar combineert, krijg je met lagere dosissen een veel beter resultaat met veel minder neveneffecten voor de patiënt. Kankerpijn is bovendien een dynamisch en evolutief proces: in de loop van de ziekte en de behandeling ervan kan een nieuw type pijn de kop opsteken of kan of kan er in het lichaam van de patiënt iets veranderen. De behandelende arts moet daarop inspelen en indien nodig de pijnbehandeling tijdig bijsturen.'

4. Welke rol speelt morfine in de pijnbehandeling?

Professor Guy Hans, foto Ivo Hendrikx

‘Morfine is een pijnstiller in de reeks van pijnstillers. Het is alleen een zwaarder product. Als iemand ernstige pijn heeft, moet er geen enkele angst zijn om over te stappen op morfine. Sommigen beweren dat morfine verslavend en levensverkortend zou zijn, maar dat is niet juist. Waar je wel rekening mee moet houden, is dat morfine niet elk soort pijn kan onderdrukken. Als er meer bijwerkingen zijn dan resultaten, dan is dat een teken aan de wand dat de pijnbehandeling misschien aangepast moet worden.'

5. Wat met de dosis en de toedieningsvorm?

‘Vroeger hoorde je wel eens dat je nooit te veel morfine kan krijgen, dat er dus geen maximumdosis is. Dat klopt helemaal niet. Als je boven een bepaald plafond gaat, kan morfine een averechts effect hebben: meer pijn uitlokken in plaats van minder pijn. Vandaar ook dat andere middelen gebruikt worden om de dosis morfine lager te kunnen houden. Wat de toediening betreft, is het de taak van de arts om een manier te kiezen die het meest praktisch is voor de patiënt en met de hoogste werkzaamheid. Voor de ene patiënt kunnen dat morfinepillen zijn, voor de andere morfinepleisters en voor nog iemand anders een onderhuids geïmplanteerde morfinepomp. Elke toedieningsvorm heeft zijn voordelen maar ook zijn beperkingen. Pillen zijn heel handig, maar als je veel braakt, wordt de morfine niet voldoende opgenomen. Pleisters zijn heel gemakkelijk, maar ze hebben onderhuids vet en een normale lichaamstemperatuur nodig om te kunnen werken, waardoor ze in een eindstadium vaak niet meer werkzaam zijn. Dan moeten andere toedieningsvormen overwogen worden.'

6. Wat is de plaats van aanvullende behandelingen in de pijnbestrijding?

‘Afhankelijk van het type pijn, kunnen andere technieken aangewend worden om een bijkomend pijnstillend effect te creëren. Wie spierpijn heeft, kan bijvoorbeeld baat hebben bij een massage, een saunabeurt of infraroodwarmte. Wie zenuwpijn heeft, kan baat hebben bij acupunctuur. Algemeen is alles wat relaxerend en rustgevend is, ook pijnstillend. Ook afleiding is een goed pijnstillend middel: niet continu de aandacht richten op de pijnklachten maar op meer aangename zaken. Net daarom is het van belang dat mensen met kanker blijven bewegen en blijven deelnemen aan normale sociale en familiale activiteiten.'

7. Zijn alle pijnklachten behandelbaar?

‘Spijtig genoeg kunnen we vandaag nog niet alle pijnklachten behandelen. Sommige pijnklachten, zoals uitzaaiingen naar het ruggenmerg, krijgen we moeilijk of niet onder controle. Ik zeg daarom nooit dat ik de pijn probeer weg te krijgen. Ik probeer de pijn te verminderen tot een aanvaardbaar niveau, gekoppeld aan een aanvaardbare levenskwaliteit.'

8. Waarom is het niet goed om pijn te verbijten?

Pijn put mensen letterlijk en figuurlijk uit. Kankerpatiënten hebben hun energie en weerstand broodnodig voor hun behandeling.

‘Pijn put mensen letterlijk en figuurlijk uit. Kankerpatiënten hebben hun energie en weerstand broodnodig voor hun behandeling, pijn is voor hen dus dubbel nefast. Pijn heeft ook een enorme impact op andere organen: je hart slaat sneller, je bloeddruk is hoger, je ademt sneller... Daardoor wordt het risico op problemen met andere organen groter. Maar de belangrijkste reden is dat als iemand langere tijd pijn heeft, die pijn chronisch wordt. Er treden in het zenuwstelsel structurele veranderingen op waardoor de pijn blijft bestaan, steeds heviger wordt en almaar meer uitgebreid. Dat is op zich al een reden om elke pijnklacht zo snel mogelijk te onderdrukken.'

9. Hoe kunnen we patiënten sensibiliseren om hun pijn te signaleren?

‘Het is de taak van elke zorgverlener die in contact komt met de patiënt, om oog te hebben voor pijnklachten, om pijn zo vroeg mogelijk te detecteren en ernaar te vragen. Soms kunnen dat heel subtiele zaken zijn. Als iemand die chemotherapie krijgt, opmerkt "Het is alsof ik op kussentjes loop" of "Het is alsof er naalden prikken in mijn benen", dan is dat een signaal dat er een zenuw is aangetast en dat een pijnbehandeling aangewezen is. Ook familie en vrienden van de patiënten kunnen een rol spelen in het rapporteren van pijn. Soms zegt de patiënt "Het gaat wel, ik voel geen pijn", terwijl we van de familie horen dat die persoon maar tien of twintig meter kan lopen omdat de pijn anders te erg is. Of een patiënt die zegt dat hij of zij goed slaapt, terwijl de partner die persoon 's nachts hoort kermen van de pijn. Dat zijn allemaal elementen die kunnen helpen om een zo volledig mogelijk beeld van de pijn te verkrijgen en daarop de pijnbehandeling af te stemmen.'

10. Hoe kan je pijn meten?

De beleving van pijn is heel persoonlijk en verschillend bij iedereen, maar door herhaaldelijk pijnmetingen uit te voeren krijgt de arts een goed idee van de globale evolutie van de pijn bij elke patiënt.

‘Een eenmalige pijnmeting heeft niet veel waarde. Een pijnmeting die herhaald wordt, des te meer, want dan zie je of de pijn onder invloed van de behandeling vermindert of toeneemt. De beleving van pijn is trouwens heel persoonlijk en verschillend bij iedereen, maar door herhaaldelijk pijnmetingen uit te voeren krijgt de arts een goed idee van de globale evolutie van de pijn bij elke patiënt.

De meest eenvoudige manier om pijn te meten is aan de patiënt vragen om een pijnscore te geven tussen 0 (geen pijn) en 10 (heel veel pijn). Soms vragen we dat de patiënt dit dagelijks thuis doet, eenmaal bij rust en eenmaal bij beweging. Bij een volgende raadpleging kunnen die pijnscores heel nuttig zijn om de pijnbehandeling te evalueren. Van de behandelende arts verwacht ik dat hij of zij gericht bijkomende vragen stelt, dat is de enige manier om zicht te krijgen op het type pijn; technische onderzoeken kunnen daar nauwelijks bij helpen. Je zou ervan versteld staan hoeveel informatie patiënten over hun pijn kunnen geven. Ze weten heel goed waar de pijn ontstaat, waar de pijn uitstraalt en hoe de pijn zich overdag en 's nachts uit.'

Prof. dr. Guy Hans is medisch coördinator van het multidisciplinair pijncentrum van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA)

Meer informatie

Soorten pijn

  • Somatische pijn ontstaat vanuit het bot, de pezen, de spieren of het bindweefsel
  • Viscerale pijn ontstaat in de holle organen, bijvoorbeeld de blaas of de darm
  • Neuropathische pijn (zenuwpijn) wordt veroorzaakt door een beschadiging of gewijzigde werking van een zenuw, het ruggenmerg of de hersenen.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.