Omgaan met verlies - De rauwe rouw van Serge Enckels

Fysieke afmatting kalmeert mij
Serge Enckels
Uit Leven, editie 85, januari 2020

Serge Enckels (44) is in rouw. Kanker heeft bijna een jaar geleden zijn zoon Kenric gehaald. Vijf jaar was het kind. Tuurlijk breekt dan de vader. Maar het is niet alleen wenen in de zetel. Het is schreeuwen in de douche. Het is honderd kilometer lopen om, tijdens het afzien, heel even te vergeten. Het is worstelen met pillen en met drank. ‘De frustratie, de razernij, de verslaving: ze komen mee met het verdriet. Maar we schamen ons ervoor, en we zwijgen erover.’ Serge Enckels niet. Dit is het verhaal van zijn rauwe rouw.

Auteur: Jesse Van Regenmortel - Fotograaf: Inge Kinnet
se2

‘Kent ge dat? Die halve seconde, wanneer je wakker wordt en waarin je nog niet goed weet waar je bent? In die halve seconde is Kenric er soms nog. Dan komt het besef. Hij is er niet. Hij zal er altijd niet zijn. En dan: de razernij. Ze doet mij bibberen. Dan moet ik mezelf afbeulen, jongen. Dan ga ik lopen, twintig of dertig kilometer, ook al is het maar vier uur in de ochtend. Of ik beuk op de boksbal, tot het eruit is. Anders loop ik niet rond als een goedaardige mens.’

Tranen en demonen

Het is bijna een jaar geleden dat Kenric stierf. Drie jaar had hij gevochten tegen een rhabdomyosarcoom, een zeldzame tumor die het spierweefsel aantast en die zich bij hem bij de basis van zijn tong bevond. In december 2018 hadden de dokters gezegd dat het goed was. Dat er volledig herstel aankwam. Een maand later ontplofte de kanker, hij zat plots overal. De boodschap erbij: het komt niet meer goed.

Serges partner, Livia Raskin, lanceerde onlangs haar vzw Vilomah (zie kader, red.). Om kinderen die te horen krijgen dat het zal eindigen, en hun ouders, bij te staan. Met raad, ervaring en praktische steun. Het is haar manier om met haar verlies om te gaan. Serge heeft de zijne. ‘Kenric was, in zijn ziekte, zo matuur geworden. Ik kon al zien wat voor man hij zou worden. Hem uitleggen dat hij daar nooit zou komen, dat hij zou sterven, is het hardste wat ik ooit gedaan heb. Op het eind had hij zoveel pijn, we kregen de morfine niet bij geduwd. Ik zag hem, en ik wist dat hij zou gaan. Dat is zo brutaal. Op 21 februari ben ik opgestaan met een liedje in mijn hoofd. Temple of the king, van Rainbow. Het was nog donker, ik ben gaan wandelen met mijn hond, hier in de velden. Ik was op het hoogste punt van de heuvel toen mijn telefoon overging. En ik wist het. Ik ben beginnen te lopen, tot ik voor zijn bed stond. Dat beeld ... Ik was gevoelloos, op dat moment.’

Misschien zijn er die het herkennen. Die niet in een kring kunnen gaan zitten en vertellen. Die opkroppen, zoals ik.

Maar zijn gevoel kwam terug. En met de tranen, de demonen. ‘Het komt mee met het verdriet: de frustratie, de agressie, de verslaving. Maar mensen zijn beschaamd om dat te voelen, en zeker om het te zeggen. Misschien zijn er die het herkennen. Die niet in een kring kunnen gaan zitten en vertellen. Die opkroppen, zoals ik. Die denken dat ze de enigen zijn die zich zo voelen. Maar dat is niet zo.’

Serge ziet er fit uit en moe tegelijk. Met zijn ogen gezwollen van verdriet, zijn kaakbeenderen geprononceerd en zijn haar met gel achteruit gelegd. Hij is afgetraind, heeft onlangs de 100 kilometer van de Sahara gelopen. ‘De fysieke afmatting kalmeert mij. Ik hou van de pijn, van het afzien, van het voort moeten. Soms loop ik tot ik niet meer kan, tot ik bijna flauwval. Dan maak ik me kwaad, probeer ik een dag later opnieuw, tot ik weer neerval. En opnieuw, tot ik het haal. Mijn verdriet heeft geen finish, dat gaat niet voorbij. Lopen wel, elke stap die ik zet, brengt mij dichter bij de meet. En als ik geluk heb, zit er ergens onderweg een ogenblik waarin ik vergeet.’

Duvel en antidepressiva

Mijn zoon was al jaren doodziek, ik was uitgeput, het geld was op, ik was depressief. Wie ging mij zeggen dat ik mijn pint niet mocht?

‘Het zal wel een vlucht zijn. Natuurlijk is het een vlucht, maar het doet me goed. In de periode van het rhabdomyosarcoom vloog ik in de drank. Mijn zoon was al jaren doodziek, ik was uitgeput, het geld was op, ik was depressief. Wie ging mij zeggen dat ik mijn pint niet mocht? Maar ik dronk hard. Jupiler als limonade. ’s Nachts wanneer ik niet kon slapen, soms ’s ochtends, en altijd de hele dag door. Twee flessen wijn bij het eten, veel Duvels. Alcohol was makkelijk, ik voelde me beter.’

‘Maar dat bleef niet duren, dus dronk ik door, tot ik van de planeet was en de pijn er niet meer was. Maar hij kwam altijd terug, om eens zo hard in mijn gezicht te slaan. Soms nog tijdens het drinken, vaak de ochtend erna. Dus dronk ik opnieuw.’

se3

Een dik jaar geleden, in de periode dat het beter leek te gaan met Kenric, heeft hij tegen zichzelf gezegd dat het moest stoppen. Serge is jaren para geweest, je ziet dat aan hem. Hij heeft het lijf van een kooivechter, inbegrepen tattoos. ‘Wij waren mannen met karakter, maar ik kon niet nee zeggen tegen een pint. Het was een maat van bij de para’s die me droog zei: “Dat heet alcoholisme, vriend”. Hij leerde me om voor de spiegel te gaan staan en te zeggen: “Vandaag drink ik niet, morgen zie ik wel.” En de volgende dag opnieuw. Meer dan een jaar later doe ik dat nog steeds.’

‘Zatte Serge was gefrustreerd en opgejaagd en werkte dat uit op de rest van de wereld. Ik had een grote mond, was agressief, viel in herhaling. Nu is de realiteit er altijd, maar ze is stabiel. Dat maakt het draaglijk. Draaglijkér. Na de dood van Kenric heb ik nog antidepressiva en angstremmers genomen. Daar ben ik nu ook vanaf. Ik jank nog altijd. Soms lucht dat op, soms doet dat slechter voelen. Ik kan nog altijd maar vier uur per nacht slapen. Ik kan geweldig jaloers zijn, als ik koppels met kinderen zie, die de luxe hebben om te denken: ons zal het niet overkomen. En ik kan nog altijd kwaad zijn op heel de wereld. Waarom moest het ons wél overkomen? Wat hebben wij misdaan? Ik kan alleen maar zeggen: “Serge, ge hebt geweldige pech gehad. Deal with it.”’

Druk op relatie

se1

‘Ik ben wel bang dat het allemaal zal imploderen. Dat ik een meltdown zal krijgen, dat ik opnieuw in de Duvels zal vliegen. Natuurlijk heb ik nog zin om te drinken. De honger naar vergeten is er altijd. Tegelijk is mijn angst futiel. Waarvoor moet ik nog schrik hebben? Ik ben zelfs niet meer bang om te sterven. Begrijp mij niet verkeerd, ik heb geen death wish. Maar wat kan er erger zijn dan wat ik al gehad heb? Mijn zoon is me voorgegaan naar de andere kant. Alles wat nog kan komen, is peanuts.’ Het maakt hem onverschilliger, zegt hij. Harder. ‘Waar andere mensen mee bezig zijn, de futiliteiten waarover ze zich zorgen maken: het kan me oprecht niet meer boeien.’

Livia staat recht. Ze heeft zitten werken voor haar vzw, op de achtergrond, maar nu wil ze tussenkomen. ‘Serge vindt van zichzelf dat hij harder is geworden, ik vind net van niet. Hij beseft niet hoe hard hij vroeger kon zijn. Nu hij nuchter is, is hij veel meer aanwezig en betrokken. Hij neemt, letterlijk, nuchterder beslissingen.’ Serge lacht. ‘Ik heb geluk dat zij er nog is. Want het is een wonder dat we nog samen zijn. Zo’n enorme druk zet dat jarenlange vechten en dat grote verlies op je relatie. Je rouwt elk op je eigen manier, maar die twee manieren moeten wel compatibel zijn. 

Voor dit is geen handboek, jongen. Er zijn geen wijsheden. Ik kan alleen maar doen.

Daarbij, je bent kwaad op heel de wereld, dus ook op elkaar. En de drank vergrootte die kloof nog. Hij maakte mij egoïstisch, niet in staat om haar te begrijpen. Maar we staan er dus nog. Omdat we kunnen babbelen samen, omdat we beseffen dat voor ons allebei de lucht nooit meer helemaal blauw kan zijn. Ik sta er mentaal beter voor nu, ook omdat ik fysiek sterker ben.’

Door zijn rugzak van twintig kilo, die hij aandoet om zijn wandelingen afmattender te maken. Door de marathons, die liggen te wachten om gelopen te worden. Door de zware boksbal, die altijd klaarstaat op het terras wanneer hij om vier uur wakker wordt. Daarmee overleeft hij. ‘Want voor dit is geen handboek, jongen. Er zijn geen wijsheden. Ik kan alleen maar doen. Met mijn kop tegen de muur lopen. Opstaan. Opnieuw doen.’

 

Uw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Meer info

Lotgenotencontact

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.