Jos Binnard genas van slokdarmkanker

Dat ik zo broos bleek te zijn, was de grootste schok
Jos Binnard

Elf jaar geleden is het al dat Jos Binnard (63) op een jaarlijkse routinecontrole te horen kreeg dat hij slokdarmkanker had. Intussen is hij volledig genezen verklaard. ‘Ik heb zo veel geluk gehad’, zegt hij al meteen in het begin van ons gesprek. En hij zal dat verschillende keren herhalen. Het maakt duidelijk hoe deze man in het leven staat. Een hoopvol getuigenis van een optimistisch en geëngageerd man.

Auteur: Liesbeth Van den Berghe - Fotograaf: Leo De Bock
Foto Leo De Bock

Bij de deurbel hangt een briefje: 'Geduld, want ik kom met de rolstoel.' Ik schrik even, maar het blijkt niet om Jos te gaan, wel om zijn vrouw die aan haar voeten is geopereerd. Zelf straalt hij van gezondheid: ‘Ik heb soms nog wat last van mijn ribben, want die zijn niet hersteld zoals zou moeten. En ik moet trager eten dan vroeger. Maar dat is het dan.’ Het zag er ooit anders uit. Jos’ verhaal begint al in 1994, toen hij eindelijk dan toch naar de dokter ging met pijn in zijn slokdarm. ‘De gastroscopie (onderzoek van de maag via een lange flexibele buis, nvdr) wees uit dat ik al veel te lang met een ontsteking rondliep. De specialist schreef me medicijnen voor, en die hielpen meteen. Maar hij wees er ook op dat de cellen onder aan de slokdarm zich aan het vervormen waren en dat het risico bestond dat zich daar kwaadaardige cellen zouden ontwikkelen.’

Niet meteen reden tot paniek, maar Jos moest wel om het jaar voor controle naar het ziekenhuis. Gelukkig, want na zeven jaar van geruststellende resultaten wees het onderzoek in juli 2001 uit dat een biopsie nodig was omdat er verschillende ontstekingsgezwelletjes waren. ‘Ik viel uit de lucht, want had helemaal geen pijn. En ja, er werden kwaadaardige cellen gevonden.’ De specialist was duidelijk: er moest zo snel mogelijk opgetreden worden. Een operatie werd gepland voor augustus, de vooronderzoeken gingen meteen van start.

Dodende onzekerheid

Het duurde vijf weken voordat het verlossende bericht kwam dat er met mijn longen niets mis was. Die onzekerheid, dat is moeilijk om te dragen.

Dat was achteraf de moeilijkste periode, vertelt Jos. ‘Tijdens de vooronderzoeken bleek dat ik vlekjes op mijn longen had. De operatie werd uitgesteld, een bronchoscopie uitgevoerd (wegnemen van weefsel met een flexibel kijkbuisje door de luchtpijp, nvdr) en vervolgens was het (lang) wachten op de uitslag. Dat nieuws kwam hard aan, want ik was twee jaar eerder mijn vader verloren aan longkanker. Hij ging wandelen aan zee, was kortademig, ging naar de dokter en drie maanden later was hij dood. Het duurde vijf weken voordat het verlossende bericht kwam dat er met mijn longen niets mis was. Die onzekerheid, dat is moeilijk om te dragen.'

De operatie vond plaats in oktober 2001. Jos – intussen met pensioen, maar op dat moment nog wiskundeleerkracht in het Leuvense Sint-Pieterscollege – ging ervan uit dat hij een maand later weer voor de klas zou staan. ‘Ik was een echte schoolfreak. Ik was nog nooit eerder ziek geweest en onderschatte de impact van zo’n zware operatie. Mijn vrouw zegt me nog altijd dat ik die hele ziekte ben blijven minimaliseren en dat klopt: na die onzekerheid over mijn longen heb ik er nooit meer bij stilgestaan dat dit wel eens slecht kon aflopen. De professor had me er bijvoorbeeld op gewezen dat mijn herstel wat langzamer kon verlopen door mijn zwaarlijvigheid, maar dat legde ik gewoon naast me neer.’

Volledig van de plank

Hoe snel je van een gezonde mens in een doodzieke patiënt verandert: dat is onvoorstelbaar.

Een misrekening was het in elk geval. ‘De operatie duurde acht uur. Mijn ribben werden volledig doorgezaagd, een long werd stilgelegd. Twee derde van mijn slokdarm werd weggenomen en dat deel werd vervangen door mijn maag, die als een buis werd opgetrokken naar de borstkas. Na de operatie hebben ze me 24 uur langer in slaap gehouden, omdat mijn long niet meteen vanzelf weer in werking trad.’ Tien dagen bleef Jos in het ziekenhuis, met een pijnpomp in de rug. Na enkele dagen mocht hij al met de kinesitherapeut de gang op. ‘Toen die me de negende dag voorstelde om een trap te doen, als voorbereiding op mijn thuiskomst, ging ik daar gretig op in. Stapje voor stapje, verschrikkelijk langzaam, ik was gewoon kapot. Hoe snel je van gezonde mens in een doodzieke patiënt verandert, ik had het nooit geloofd als het me zelf niet was overkomen. Het duurde uiteindelijk twee maanden langer dan ik had gedacht.’

Elke keer dat Jos vertelt over hoe moeilijk het was, voegt hij er meteen aan toe dat hij niet wil klagen, want dat hij er zoveel beter van af gekomen is dan vele anderen. Als hij bijvoorbeeld vertelt over de epidurale verdoving (met een ruggenprik, nvdr) die hij een van de eerste dagen al huilend vroeg omdat de pijn niet te harden was. Of als hij vertelt over die medepatiënt die maar geen vaste voeding kon eten en dus verschrikkelijk mager werd. 'Uit onderzoek van het weefsel bleek dat alles was weggenomen. Ik had dus geluk, want ik moest geen nabehandeling krijgen. Dus ik werd elke dag een beetje beter. Uiteindelijk ben ik drie maanden werkonbekwaam geweest. Daarna stond ik weer voor de klas, en dat heb ik nog tien jaar met veel plezier gedaan tot aan mijn pensioen.’

Voorspoedig herstel

Foto Leo De Bock

Heeft hij dan echt nergens nog last van? Kan hij normaal eten? ‘De eerste dagen kreeg ik voeding via een infuus, maar toen kwamen de verpleegsters al met een gewone schotel. Ik at met kleine hapjes wat ik kon. Mijn maag moet de werking van de slokdarm overnemen, maar mist die samentrekkende beweging waardoor de inhoud wordt voortgestuwd, dus moet ik voorzichtig zijn met vezelrijk voedsel en sterk gestructureerd vlees, zoals varkensvlees. Als ik niet oplet, blijven er stukjes steken, en dat is lastig. Ik kauw goed, las pauzes in en let op met alcohol en pikant eten. En ik eet wat trager en minder, wat voor een bourgondiër niet altijd evident is. Een pak friet krijg ik in elk geval niet volledig op’, lacht Jos. ‘Kortom, ik eet noodgedwongen stukken gezonder.’

Na zijn operatie moest Jos geregeld op controle, maar vier jaar geleden kreeg hij te horen dat dat niet meer nodig is: hij heeft net zoveel kans op slokdarmkanker als elke andere gezonde mens. 'Ik ben niet bang, maar ik heb toch gevraagd of ik elk jaar op controle mag gaan.' Dus eind goed al goed? ‘Ja, ik sta bewuster en intenser in het leven nu, al klinkt dat misschien als een cliché.’ Dat uit zich in de praktijk, want als vrijwilliger brengt Jos op Gasthuisberg elke zondag zieke patiënten naar de eucharistieviering. Dat deed hij al langer, sinds zijn pensioen is hij zelfs coördinator van deze vrijwilligerswerking. ‘Ik besef nu wat dit betekent voor deze mensen. Ik kijk zelf met grote dankbaarheid terug op de steun die vrienden en familie me hebben geboden. Een kaartje van mijn klas of een bloemetje van collega’s: die kleine attenties helpen je door de dag, echt waar. Mijn vrouw had op de kamer een boek gelegd waarin iedere bezoeker iets kon schrijven: daar zat ik geregeld in te lezen.'

Foto Leo De Bock

Hij doet ook twee dagen per week vrijwilligerswerk op de dekenij. Is zijn geloof heel belangrijk? ‘Het heeft ervoor gezorgd dat ik steeds het gevoel heb gehad dat ik er niet alleen voor stond. Er stond iemand naast me en die zorgde ervoor dat ik het niet zou opgeven. Dat maakt een mens sterker en geeft het vertrouwen dat het weer goed zal komen. De nachten in een ziekenhuis duren lang. Je denkt dan na over de essentiële dingen in het leven en je beseft dat je je vaak met pietluttige dingen bezighoudt of je daarover opwindt. Familiebanden, vriendschap, vertrouwen in de toekomst, de broosheid van het leven en de waarde van het begrip "gezondheid": ik ben echt doordrongen van het belang van deze dingen. En dat heeft me gestimuleerd om me inderdaad nog meer dan vroeger in te zetten en op te komen voor mensen die het daar moeilijk mee hebben.’

Meer informatie

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.