Gebruik van chemotherapie

De celdelingremmende geneesmiddelen die gebruikt worden bij chemotherapie, heten ook cytostatica. Welke medicijnen u krijgt, hangt onder andere af van de soort kanker, het stadium van de ziekte, uw algemene conditie … Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt meestal een combinatie (een 'cocktail') van verschillende cytostatica voorgeschreven. Dikwijls moet de combinatie van die middelen in de loop van het ziekteproces worden aangepast. 

Soms worden celdelingremmende medicijnen gecombineerd met medicijnen die de natuurlijke afweer of immuniteit stimuleren om kankercellen efficiënter te bestrijden (zie immunotherapie).

Toediening van chemomedicijnen

Capsules Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie van verschillende cytostatica voorgeschreven.

Cytostatica kunnen op verschillende manieren worden toegediend:

  • ​langs een katheter (een dun en flexibel kunststof slangetje dat verbonden is met een bloedvat), zie poortkatheters;
  • langs een infuus (een katheter die verbonden is met een klein bloedvat van de arm of het been);
  • via een infuuspompje (de patiënt neemt dit 48 uur of langer mee naar huis);
  • langs de mond (oraal), in de vorm van pilletjes, capsules of vloeistof;
  • met een inspuiting (injectie), bijvoorbeeld in het onderhuidse weefsel (subcutane injectie), in de ruimte rond het wervelkanaal of de hersenen die gevuld is met vloeistof (intrathecale injectie) of in de ruimte rond de longen (intrapleurale injectie).

Chemotherapie wordt soms plaatselijk gegeven. Dat betekent dat alleen de plaats waar de tumor zit, wordt behandeld met chemotherapie. Voorbeelden van plaatselijke toediening zijn:

  • bij blaaskanker: blaasspoeling;
  • bij melanoom of wekedelentumoren: regionale perfusie (hoge dosis chemotherapie in afgesloten arm of been);
  • bij huidkanker: crème;
  • bij buikvlieskanker en bij kanker van de dikke darm, appendix, maag en eierstok met uitzaaiingen in de buikholte: HIPEC (combinatie van een uitgebreide operatie waarbij alle zichtbare kankercellen worden weggenomen met een spoeling van de buikholte met verwarmde chemotherapie om resterende, onzichtbare tumorcellen te doden; dat is weliswaar geen standaardtherapie en lang niet iedereen met een van de vermelde kankers komt hiervoor in aanmerking).

Wisselwerking met andere geneesmiddelen en voedingssupplementen

Bepaalde geneesmiddelen kunnen de werking van cytostatica beïnvloeden. Ze kunnen neveneffecten van de behandeling verergeren, of ze kunnen zelfs het effect van de chemotherapie verstoren.

Het is daarom van groot belang uw behandelend arts te vertellen welke geneesmiddelen u neemt – ook als het bijvoorbeeld aspirine, kruidenmengsels, vitamines of andere voedingssupplementen zijn. Raadpleeg ook altijd uw arts als u tijdens uw behandeling nieuwe middelen wilt beginnen te nemen of wilt stoppen met wat u al neemt.

Voorzorgsmaatregelen

Zoals het geval is met alle medicatie zijn er ook bepaalde gevaren verbonden aan het gebruik van cytostatica. Artsen en verpleegkundigen die de chemotherapie toedienen, nemen dan ook voorzorgsmaatregelen om rechtstreeks contact met de geneesmiddelen te vermijden (ze dragen bijvoorbeeld beschermende handschoenen en schorten).

Als u thuis chemotherapiemedicijnen moet nemen, zult u van het ziekenhuis instructies en aanbevelingen krijgen om er veilig mee om te gaan.

  • Vermijd contact met uitwerpselen (braaksel, urine, stoelgang) en was altijd goed uw handen.
  • Spoel na elk toiletbezoek het toilet tweemaal door met gesloten deksel of spoel de bedpan overvloedig. Mannen kunnen het beste zittend plassen om spatten te voorkomen. En als het haalbaar is om thuis een wc voor uzelf te reserveren gedurende die zeven dagen, kan dat aan te bevelen zijn voor de veiligheid van uw huisgenoten, zeker voor jonge kinderen.
  • Voor mannen en vrouwen die chemotherapie krijgen: gebruik bij seksueel contact een condoom om uw partner te beschermen. Er kunnen immers resten van de geneesmiddelen terechtkomen in het sperma of in de afscheidingen van de vagina.

Algemene voorzorgsmaatregelen:

  • Informeer uw familie en mensen die u thuis verzorgen of het woonzorgcentrum waar u verblijft dat u chemotherapie krijgt zodat ze voorzorgsmaatregelen kunnen nemen.
  • Voor vrouwen die chemotherapie krijgen: neem tijdens de volledige duur van de behandeling maatregelen om een zwangerschap te voorkomen.

Hoe weet u of de chemotherapie werkt?

Tijdens uw behandeling zal uw arts u onderzoeken en op gerichte tijdstippen scans laten uitvoeren om te zien hoe uw behandeling werkt. Aarzel niet om hem om uitleg te vragen over de resultaten van de onderzoeken. Bijwerkingen zeggen niets over het effect van de chemotherapie. Als u veel last hebt van bijwerkingen, wil dat niet per se zeggen dat de chemotherapie goed aanslaat. Of omgekeerd: als u weinig bijwerkingen hebt, betekent dat niet dat de behandeling niet goed werkt.

Poortkatheters

Een poortkatheter is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens opnieuw in de aders geprikt hoeft te worden en omdat het minder problemen geeft met de aders in de arm.

Vaak wordt voor de toediening van chemotherapie onder plaatselijke of algemene verdoving onder het sleutelbeen een poortkatheter ingeplant. Zo’n poortkatheter maakt het mogelijk om op een eenvoudige en veilige manier gedurende langere tijd cytostatica en andere medicijnen en vloeistoffen toe te dienen. Dat is voor de patiënt comfortabeler omdat er niet telkens een ader gezocht moet worden in de arm. Het aanprikken van de poort gebeurt vlotter. Om infecties of verstoppingen zo veel mogelijk te voorkomen, wordt de poortkatheter regelmatig gespoeld (in het ziekenhuis of door een thuisverpleegkundige of de huisarts). Uw arts kan uitleggen waarom een poortkatheter in uw geval wel of niet aangewezen is, en wat u moet doen bij eventuele problemen met de poortkatheter.

De poort – een plat, rond doosje van enkele centimeters groot – is verbonden met een katheter die de vloeistof naar de bloedbaan leidt. Het doosje heeft bovenaan een zelfsluitend soort vlies dat kan worden aangeprikt. De poort wordt onder de huid ingeplant en de katheter wordt in een groot bloedvat geschoven. Het inplanten gebeurt meestal met een kleine operatie, onder lokale verdoving, maar in sommige oncologische centra gebeurt het onder algemene verdoving.

Bij elke behandeling met intraveneuze medicatie, voor bloedafnames of bloedtransfusies kan het poortje met een speciale naald door de huid worden aangeprikt. Dat gebeurt bijna altijd door verpleegkundigen. Zodra de naald uit de poort is, kunt u met de katheter alles doen (ook douchen, zwemmen ...), want het systeem is volledig afgesloten. Het systeem blijft, indien er geen complicaties optreden, zitten zolang dat voor de behandeling nodig is. Nadien kan het onder lokale verdoving weggenomen worden.