Column - Witte jassen

Die medicijnvrouw is een vertrouwenspersoon, iemand die mijn grootste en kleinste kwaaltjes kent.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 78, april 2018

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Sylvie Bonne

De man die voor mij aan de toonbank staat, dampt een verstikkende combinatie van sigarettenrook en een overdosis Axe uit. Ik probeer mijn neus niet zichtbaar op te halen, tenslotte verschillen smaken grondig en ruikt hij het zelf waarschijnlijk niet eens. Een heer met een kwade dronk is erg, eentje met een kwade geur ook. Van vrouwen kan overigens hetzelfde gezegd worden.

Die twee kwalijke luchtjes dreigen mijn ochtend nog meer te verneuken, want ik had er al de pest in toen ik de apotheek binnenstapte. Ik weet immers dat het de laatste keer zal zijn, want deze voor mij toch wel heel vertrouwde omgeving moet ik in de toekomst missen. De apothekeres stopt ermee. Ze is nog lang niet pensioengerechtigd maar ze heeft haar zaak verkocht aan een grote farmacieketen. Waar tot voor kort de lijst met de wachtdiensten hingen, schettert nu een affiche met 'Te koop' aan het raam. De nieuwe apotheek komt in een oogverblindende witte vestiging pal achter de hoek. Opgeblonken en gepoetst met een tandenbleekset, zo lijkt het wel. En daar kan mijn ervaren pillendraaister met haar eikenhouten kastjes niet tegenop. Weer een kleine zelfstandige die de concurrentiestrijd verliest van een reus met veel vertakkingen.

De boekenwinkel, de schoenenzaak en menige kledingboetiek waar ik klant was zijn ook al verdwenen - maar de apotheker, da's toch van een ander niveau. Die medicijnvrouw beschouw ik niet zomaar als een commerçant, neen, ze is veel meer dan dat. Ze is een vertrouwenspersoon, iemand die zowel mijn grootste als mijn kleinste kwaaltjes kent. Niet alleen die van mij, ook die van mijn man en zoons en zelfs die van de kat en de cavia zaliger. Niemand is zo op de hoogte van ons wel en wee, hoewel ik over haar persoonlijke leven zo goed als niets weet. Ze moet kinderen hebben want ik heb haar zwanger gezien en ergens moet er dus ook wel een man in haar leven zijn. Ik heb er haar nooit naar gevraagd, onze relatie was eenrichtingsverkeer gevoed door mijn doktersbriefjes, een hardnekkige hoest of infectiegevaar. En door haar professionalisme.

Want ze hield zich altijd op een gepaste afstand, met de toonbank als een buffer tussen ons. Begrijpelijk, ziektekiemen kruipen waar ze niet kunnen gaan en de apotheek is een dreigende broeihaard waar hele, halve en vermeende zieken op verlossing wachten. Die witte jas van de apothekeres is nog zo'n element dat nadere kennismaking voorkomt. De gereserveerdheid zit er zodanig in gesteven dat je amper een menselijk wezen met een kloppend hart achter het katoen vermoedt. De meeste dokters gebruiken dezelfde tactiek, al komt er hier en daar een kreukje in. Jonge artsen durven met open jas en fladderende panden hun kabinet betreden, sommigen dragen zelfs houthakkershemden onder hun stethoscoop. Even bekwaam maar menselijker, meer als u en ik.

De walmende wolk voor me krijgt zijn medicatie en stoomt naar buiten, ik blijf als enige klant over. De apothekeres overhandigt mijn bloeddrukpillen met een uitgestreken gezicht en ik stel haar de vraag, die zij zo dikwijls aan mij heeft gesteld: ‘Hoe gaat het?’ Haar gezicht vertrekt, er komen tranen en een flits van paniek in haar ogen. Even zijn de rollen omgekeerd, ik wens dat ik haar beter had gekend en een voorschrift had om haar pijn te verlichten. Op de achtergrond speelt Radio 2 Only human after all van Rag'n'Bone Man.

 

Uw reactie op dit verhaal is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.