Column - Waar is dat feestje?

Kanker stopte de tijd. Mijn volgeschreven agenda verschrompelde tot een waardeloos bundeltje papier.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 73, januari 2017

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Sylvie Bonne

De tijd ging altijd te snel voor mij. Als Duracellkonijn huppelde ik van deadline naar deadline. Rende van het werk naar huis, van de supermarkt naar de school, van de bakker naar het postkantoor. Altijd op een draf onderweg naar ergens en nergens. Adrenaline en stress. Ik wou alles, en ik wou nog meer. Uit pure gulzigheid, ik geef het grif toe. 

Oké, ik drukte ook af en toe eens de pauzeknop in. Om eindelijk te rusten, een paar dagen de luxe van het nietsdoen te proeven. Zálig, zo in mijn zetel met een zacht muziekje. Gods water dat over Gods akker bleef lopen, terwijl ik in een lege woning niets anders te doen had dan genieten. Van de radio, van een boek en van de winterzon die het raam deed oplichten. Die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren dacht ik, Clouseau plagiërend, die eerste zestig seconden. 

Maar eeuwig? Neen toch. Niet met mij. Ik zat nog geen kwartier neer of ik werd al ongeduldig. Want zag ik dat nu goed, die zonnestralen toonden ongenadig hoe vuil mijn ramen waren. Lang geleden niet gelapt, zou ik me niet beter nuttig maken in plaats van te slampampen? Mijn rustige vastheid was ik op slag kwijt en ik werd prompt weer dat konijn. Niet meer bij te sturen. Rennen, vliegen en weer opstaan. Er is zoveel te doen, te zien, te beleven. Stel je voor dat ik iets miste. 

En plots werd ik ziek. De kanker stopte de tijd en zorgde voor een snelcursus onthaasting. Cold turkey, mijn volgeschreven agenda verschrompelde tot een waardeloos bundeltje papier en ik zonk weg in de verwarring en de kussens. Mijn werk en mijn gezin bepaalden niet langer de structuur van mijn dag en vuile ramen waren het minste van mijn zorgen. Afgezien van de afspraken in het ziekenhuis draaide mijn bestaan nog rond drie hoofdzaken: hazenslaapjes, proberen iets te eten en zo mogelijk de krant of een boek lezen. Alle drie even belangrijk voor mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid. Ik paste me wonderwel aan aan die schemertoestand.  Zodra ik erin slaagde de muizenissen en het gepieker het zwijgen op te leggen, liet ik me drijven op die zeeën van tijd en bleek dat ik me niet eens verveelde. 

Ik was verbaasd over mezelf. Ik die me in een vroeger leven niet eens kon voorstellen waar een niet-buitenshuis werkende mens zijn dagen mee vult. De vrijheid om acht, negen en soms zelfs tien uur per dag zelf te kunnen invullen: voor deze over het paard getilde doordraver leek dat eindeloos. Lege, ongeplande dagen. Geeuw geeuw. Gaap gaap. Een sluimerbestaan, bah. 

Tot de stekker dus onverhoeds werd uitgetrokken, de wereld en ikzelf stilvielen. Het leek wel of ik tijdens de chemo en bestralingen de jarenlang opgespaarde slaap inhaalde. Suffend stommelde ik rond en ik dacht niet meer aan al wat ik had kunnen doen. Ik keek niet eens om, bang om ook nog in een zoutpilaar te veranderen.

Zo plots als mijn energie verdween, zo traag ging het om na de hele behandeling mijn vroegere zelf terug te vinden. Geduld is een schone zaak, heb ik toen ondervonden. Ik nam me voor om nooit meer zo'n adrenalineslaaf te worden, en meestal lukt dat. Meestal. 
Waar is dat feestje?

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.