Column - Stijlbreuk

Daar stond ik in mijn keurige tweestuks, alsof ik op 't schoon verdiep mijn opwachting maakte.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 71, juli 2016

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Silvie Bonne

Af en toe moet een mens opruimen, kwestie van de omgeving leefbaar te houden. Als mijn kleerkast mijn volle gewicht nodig heeft om de deuren te kunnen sluiten, is het vijf voor twaalf. Ik krijg dan hallucinaties en zie mezelf in zo'n vooravond-programma verzeilen op TLC of Vitaya. 'Hoarders' of, nog sprekender, 'Levend Begraven'.

Ik leg de hele inhoud van de garderobe met kapstok en al op het bed en maak van mijn hart een steen. Die blouse heb ik in geen jaar gedragen. Die mag, misschien, weg. Deze rok is wat te smal, ik kan toch niet blijven hopen op dat maatje minder? En dit mantelpakje, ach, dat mantelpakje. Stiefkind van mijn kast, helemaal in het hoekje gedrumd. Ten onrechte, want het is een mooi ensemble. De enige reden waarom ik het kledingstuk niet meer draag is de herinnering die eraan kleeft. Een smet die geen droogkuis weg kan werken, ik ben trouwens de enige die de schandvlek ziet.

Ik droeg dat tailleurtje de dag dat ik naar het ziekenhuis ging voor de amputatie van mijn rechterborst. Ik had er niet eens heel bewust voor gekozen, het hing gewoon nog klaar van de werkweek tevoren en ik trok het toen gedachteloos aan. Ik had net zo goed in een trui en een jeans naar het hospitaal kunnen trekken, de keuze van mijn outfit was wel de laatste van mijn zorgen.

Eens in de ziekenkamer klasseerde ik de inhoud van mijn koffer netjes in het veel te lege witte kastje, en zonk neer in de zetel. Wachtend op de vuurdoop, met mijn laptop als een scherm tussen mij en de nieuwe realiteit. Lang heb ik daar niet gezeten, de verpleegster kwam me al snel halen voor een afspraak op de radiologie. Ik stond recht, nam mijn handtas beet en streek mijn rok recht. Klaar voor de strijd, en modieus nog ook. Flink zo. Even doorbijten.

Ik stapte de gang in, en bleek niet alleen. Een tiental patiënten stond mij achter de deur op te wachten zodat we samen de weg naar de onderwereld af konden dalen. Ik zag het groepje, en zonk zowat door de netjes geboende grond. Mensen in alle maten en vormen, gekleed in uitrustingen die passen bij zombies: kamerjassen, pyjama's en trainingspakken. Eentje droeg zelfs een soort van operatieschort die in de gauwte verkeerd was toegeknoopt. En daar stond ik tussen in mijn keurige tweestuks, alsof ik niet in een ziekenhuis maar op 't schoon verdiep mijn opwachting maakte.

Ik denk dat ik bloosde, al geloof ik niet dat een van mijn lotgenoten dat zelfs maar merkte. Ze schuifelden en schommelden naar de lift, en ik probeerde mijn hakken gedeisd te houden op het linoleum.  In normale omstandigheden ben ik voldoende zelfbewust om me weinig van wat 'de mensen' zeggen of denken aan te trekken, maar toen op dat moment vond ik mijn stijlbreuk ronduit grof. Alsof ik met mijn tailleurtje duidelijk wou maken: 'Jullie horen hier misschien thuis, maar ik niet. Mijn aanwezigheid is een grove miscasting’.

Drie dagen later maakte ik dezelfde tocht in hetzelfde gezelschap en ditmaal totaal onopvallend. Gekleed in een trainingspak en met een infuus aan de hand. Mijn mantelpakje hing van dan af in de kast, en het heeft sedertdien het daglicht niet meer gezien. Belast als het is met de erfzonde.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.