Column - Soep met balletjes

In de tijd van een snelle hap word je in de ziekenhuiscafetaria weer mens
Frieda Joris
Uit Leven, editie 75, juli 2017

Frieda Joris, journaliste en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Silvie Bonne

Ieder ziekenhuis dat zichzelf respecteert, heeft een cafetaria. Veel bijzonders is het meestal niet maar dat doet er niet toe. Het etablissement is, voor wie het geluk heeft even te kunnen ontsnappen, een oord van vrede in een voor de rest vijandig gebied. Een oase in een bevreemdende omgeving waar zo goed als niemand uit vrije wil vertoeft, het hospitaalpersoneel uitgezonderd. Hier krijgt een bakje troost een veel diepere betekenis dan in welke trendy koffiebar ook en er hoeft niet eens een hartje in het schuim getekend te worden.

Vaak is die kleine brasserie weggemoffeld in een verloren hoek, maar ik zit tussen twee controle-onderzoeken liever daar boven op een cappuccino te wachten dan op de stoelenrij voor het zweterige onderzoekslokaal waar er bloed wordt geprikt. In de tijd van een snelle hap word je er weer mens, en het helpt dat de uitbaters er alles aan doen om het er zo huiselijk mogelijk te maken. Geen Kerst zonder boom of ballen, met Pasen groeien er eieren uit het behang en lang voor Valentijn mikt Cupido van boven de wasbak zijn pijlen richting publiek. Is er niks te vieren, dan wekken bloemen en planten de illusie van een tropisch paradijs. In stof en plastic wegens mogelijke allergieën maar who cares? Het is de bedoeling die telt en die vaste klanten weten te waarderen. Ja, vaste klanten: sommigen komen hier immers wel een maand of langer asiel zoeken.

Vlakbij de ingang zit zo'n trouwe gast die aan tafel wordt bediend. Ik zag hem kromgebogen binnenschuifelen, hijgend als een Brabants trekpaard. Hij hing zijn krukken aan de kapstok en zakte moeizaam zuchtend neer op de bank.
Zijn smal, doods, wit gezicht heeft een profiel dat door glas kan snijden. Heel zijn uiterlijk en houding verraden een lijdensweg, tot de dienster zich over hem buigt met een kommetje verse tomatensoep. De hemel klaart op en er komt leven in dit pijnlijke, vervormde lichaam. De man ademt het vertrouwde aroma diep in en krijgt zowaar wat kleur op zijn wangen. Door de soep of de jonge vrouw die hem serveert en belangstellend vraagt: 'Gaat het beter vandaag?' Hij knikt, zegt eerst een beetje aarzelend 'Ja' gevolgd door een veel duidelijker 'Zeker'. Alsof hij niet zozeer haar maar vooral zichzelf er met eigen woorden van wil overtuigen dat uit dit wrak een weerbaar mens aan het herrijzen is.

Want zodra je patiënt wordt, is het alsof je afstand neemt van een deel van jezelf. Je komt in een curieus systeem terecht dat als doel heeft je beter te maken, en dat je tegelijkertijd berooft van een essentieel stukje persoonlijkheid dat je de kracht geeft om initiatief te nemen. Vandaar de berusting in de ziekenkamer en in de wachtzaal. Niét in de cafetaria, de stap daarheen zetten is je verzetten tegen het lijdzaam ondergaan. Het lijkt een beetje op thuiskomen. Ja het is er te veel Spic en Span, te Dettol-clean, en op het stamcafé lijkt het ook al niet want dit plafond is er niet door opeenvolgende generaties bruin gerookt. Maar er is soep met balletjes, een vertrouwde geur en medeleven waardoor je jezelf weer herkent. Ondanks de bloeiende plastic clivia.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.