Column - Mijn derde oog

Ik heb al voor hetere vuren gestaan dan dat huidvlekje.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 70, maart 2016

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Silvie Bonne

"Mevrouw. Dat knobbeltje op je arm is een verruca vulgaris, een doodgewone wrat" zegt de dermatoloog. Ik heradem, want de huisarts was er vorige week niet gerust in en bij mij flikkert sedertdien rood alarm. De duistere blik van onze gezinsdokter joeg me weer even de gordijnen en de nachtmerries in. Want al is het jaren geleden, eenmaal kanker gehad, kantelt de wereld bij de geringste kwaal. Ik ben nu zo opgelucht dat ik zingend naar huis rij en vergeet ook even naar dat vlekje te laten kijken dat sinds een paar maanden mijn voorhoofd ontsiert.

Een paar glazen wijn en een droomloze nacht later denk ik: 'Verdorie, ja, dat vlekje. Dat zal ook wel niks zijn. Ik kan nu toch niet weer een afspraak maken. Ik maak me zeker zorgen voor niets.'

Overdag ben ik druk bezig en heb ik geen tijd om te kniezen maar de onrust ligt, zonder dat ik het besef, op de loer. Houdt me wakker onder de sterrenhemel en haalt mijn zekerheden onderuit. Ik verdraag dat gezelschap een paar dagen, maar bel uiteindelijk weer naar de dermatoloog. Met de nodige verontschuldigingen natuurlijk.

Hij is niet verrast, herinnert zich zelfs de verruca vulgaris en mijn verrukking dat het twee keer niets was. Hij duwt mijn froufrou weg, en bekijkt het nieuwe euvel.
U moet weten, ik ben sedert vijftien jaar een meester in het bestuderen van doktersblikken bij het ontcijferen van mammografieën, echo's of bloedwaarden. Nog voor de arts één woord gesproken heeft weet ik dat het mis is. Zijn fronsende wenkbrauwen spreken boekdelen, en ook die fractie van een seconde dat hij twijfelt en denkt: "Hoe moet ik haar dit vertellen?" Ik maak het hem gemakkelijk en zeg zelf: "Kwaadaardig. Huidkanker".

Hij kijkt op, laat de woorden even bezinken. Hij herhaalt ze niet, zegt alleen eenvoudig: "Dit moet weg. Volgende week doen we een biopsie. Als het agressief is moet u onmiddellijk onder het mes, maar hoogstwaarschijnlijk is dat niet nodig en komt u op een wachtlijst. Dan zal u over een paar maanden opgeroepen worden om het vlekje in drie etappes te laten wegsnijden. Maar eerst moeten we twee weken wachten op het resultaat van het weefselonderzoek."

Twee weken. Juist. Twee weken in het gezelschap van dat monster dat net als dat van Loch Ness uit de nevelen opduikt terwijl ik dacht dat het met haar en huid uitgeroeid was.

De biopsie bevestigt wat ik eigenlijk al wist. Het is een kankervlekje, een niet-melanome huidkanker. Ik ben, eigenaardig genoeg, opgelucht. Want geen chemo, geen bestralingen, alleen het betere snijwerk. Zelfs plastische chirurgie zal niet nodig zijn, waar lag ik in godsnaam van wakker? Ik heb al voor hetere vuren gestaan dan dat plekje op mijn huid dat daar trouwens niet eens zo misstaat. Het lijkt wel een bindi, een versiering die Hindoevrouwen dragen omdat ze geloven dat het hen en hun naasten zal beschermen. Een derde oog dat me een andere werkelijkheid laat zien, een werkelijkheid waar ik liever niet meer mee geconfronteerd wordt.

Al heeft het ook voordelen. Ik besef hoe ik eens te meer aan erger ben ontsnapt en wat een gelukzak ik ben. Straks, als dat vlekje geschiedenis is, misschien toch maar een echte bindi?

 

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.