Column Frieda Joris - Sorry, chemobrein

Op ongemakkelijke momenten gingen mijn hersenen in staking
Frieda Joris
Uit Leven, editie 85, januari 2020

Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Filip Claessens

‘Ik ben een schitterend boek aan het lezen’, zegt vriendin M. die behandeld wordt voor een uitgezaaide kanker. ‘Over een oudere man die een brief wil sturen naar een terminaal zieke collega. In plaats van het epistel in een postbus te droppen, besluit hij om hem achthonderd kilometer verder persoonlijk te gaan overhandigen. Een ontroerende voettocht door Zuid-Engeland: warm aan te bevelen voor donkere winteravonden. Het boek heet … Euh . En de schrijfster … Wacht. Hoe is in godsnaam haar naam weer. Pffff, ik weet het niet meer. Sorry, chemobrein.’

Ik maakte me bijzonder ongerust want over een chemobrein werd twintig jaar geleden nog in alle talen gezwegen.

We lachen, zij een beetje zuur. Ik word op slag teruggeworpen in de tijd toen ik, net als zij, vaststelde dat mijn hersenen op ongemakkelijke momenten in staking gingen. Ik maakte me bijzonder ongerust want over een chemobrein werd twintig jaar geleden nog in alle talen gezwegen. Nevenwerkingen van de giftige maar levensnoodzakelijke cocktail die toen in onze zieke lijven druppelde, waren voornamelijk misselijkheid, haarverlies en moeheid. De rest moest je maar zelf ontdekken. Pijnlijke gewrichten bijvoorbeeld, en verstandsverbijstering ook.

Ik kreeg vooral veel last met het onthouden van namen, zelfs dichte collega’s en goeie vrienden kon ik bijwijlen niet benoemen. Soms waren ze net uit het zicht als het licht plots weer begon te schijnen: natuurlijk, Ann! Of: het was Philip! En: hoe is het mogelijk dat ik de naam van Michel daarnet was vergeten? Er waren ook dagen dat de vergetelheid langer duurde en ik urenlang tevergeefs piekerde over deze of gene. Ik werd noodgedwongen heel handig in het converseren zonder man en paard te benoemen. ‘Goh, da’s lang geleden. Hoe gaat het met je?’ Ze hadden het niet door dacht ik. Hoopte ik. Wist ik bijna zeker.

De schuldige was mijn chemobrein. Dat dit fenomeen nog jaren na de behandeling kan toeslaan, is sedertdien een goed excuus dat geregeld van pas komt.

De tien pijnlijkste minuten toen ik echt begon te twijfelen aan mijn verstandelijke vermogens staan me ook nog levendig voor de geest. Het decor was de parking van het ziekenhuis. Ik wou vertrekken, zette de versnelling in achteruit en mijn auto reed met een schokje naar voren. Zonder erg want hij zoende alleen een struik, maar ik zat verbijsterd achter het stuur. Probeerde het nog eens, en nog eens. Tevergeefs, en ik besefte dat het niet aan mijn auto lag maar aan mij. Ik wist niet meer hoe ik achteruit moest rijden! Ik reed al vier jaar met die wagen, had geen druppel gedronken of was niet in shock door een of ander dramatische gebeurtenis. Hoe kon ik dan zo van slag zijn? Was dit misschien het prille begin van een veel ernstiger probleem?

Vooraleer ik de moed vond voor een volgende poging, besloot ik eerst wat tot bedaren te komen. Ik ben even uitgestapt, heb wat frisse lucht ingeademd, tenslotte schakelde ik altijd vlotjes zonder na te denken. Op automatische piloot, bij manier van spreken. Ik moest in die geestestoestand zien te geraken en wandelde een blokje rond. Nam weer plaats achter het stuur, pakte de pook beet en schakelde zowaar onmiddellijk in achteruit. Ik besefte ook meteen wat ik verkeerd had gedaan. Ik was vergeten de hendel een zuchtje oplichten, wat ik in onverdachte tijden zonder haperen deed. Pas veel later is mijn euro gevallen. De schuldige was mijn chemobrein. Dat dit fenomeen nog jaren na de behandeling kan toeslaan, is sedertdien een goed excuus dat geregeld van pas komt.

PS Het boek van vriendin M. is De Onwaarschijnlijke Reis van Harold Fry geschreven door Rachel Joyce.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.