Column Frieda Joris - Rattenkop vol gaten

Ik zie mijn losgekomen lange lokken nog verspreid over de vloer van de badkamer liggen.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 94, april 2022

Frieda Joris, journalist en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Filip Claessens

Ik heb zo goed als nooit meer een bad hair day, zo’n dag waarop je haar slecht zit. In mijn jonge jaren wel, en vaker dan me lief was, moet ik nederig bekennen. Een paar keer in de maand was de dag al om zeep voor hij goed en wel begon omdat ik wakker was geworden met opstaande pieken die zelfs na de douche koppig hun eigen weg bleven gaan. Rampzalig voor mijn humeur en mijn zelfvertrouwen want ik had ’s morgens nooit tijd om uitgebreid te brushen, laat staan om krullen of papillotten in te rollen.

Ik probeerde dan te redden wat er te redden viel met een paar spelden en vooral een vurige lippenstift die de aandacht van de chaos op mijn hoofd af moest leiden. Maar veel lievemoederen was er meestal niet aan en ik vertrok naar mijn werk als een donderwolk met een zingende Jan De Wilde in mijn hoofd. ‘Mottige malloot, rattenkop vol gaten.’

Een pruik was mijn redding. Dat kunstig verweven haar maskeerde mijn ellende en was een balsem voor mijn geschokte ziel.

Dat was een scène uit mijn vorig leven, vandaag laat ik het zover niet meer komen. Vergis je niet, ik ben ijdel gebleven en mijn kapsel blijft geregeld zijn eigen weerbarstige gang gaan maar ik krijg het er niet meer zo van op mijn heupen. Omdat ik te veel respect heb gekregen voor mijn haar sedert ik het door de chemobehandeling maandenlang ben kwijtgespeeld.

Ik zie mijn losgekomen lange lokken nog liggen op het hoofdkussen en verspreid over de vloer van de badkamer. Ik weet nog hoe ik vol verbijstering staarde naar het verstopte afloopputje en vooral naar mijn rattenkop die zonder die haardos alle charme verloor. Aan dat vreselijke kale hoofd heb ik nooit kunnen wennen. Als je iets kwijt bent, weet je pas wat je mist, nietwaar.

Een pruik was mijn redding. Dat kunstig verweven haar maskeerde mijn ellende en was een balsem voor mijn geschokte ziel. Ik zette ze met de slaap nog in de ogen al op en legde ze pas te rusten op mijn nachtkastje als ik zelf onder de wol kroop. Zelfs in het donker bedekte ik mijn kaalheid, want ik sliep met een mutsje omdat een onbedekte kruin koud is in de winter.

Tussen de behandelingen door broedde er weer leven onder mijn valse pruik. Kleine plukjes dons die na elke nieuwe baxter met epirubicine verdwenen. Door de halsstarrigheid waarmee ze telkens weer de kop opstaken, wist ik: dit komt goed. Na het stopzetten van de chemo kwam mijn haar inderdaad terug, maar in een totaal andere vorm dan ik gewend was. Mijn van nature steile bruine lokken herrezen als kleine, witte krullen. Het leek wel de coiffure die de kapper uit St Mary Mead voor Miss Marple had bedacht.

Ik was verrast dat mijn echtgenoot mijn witte haar ‘mooi’ vond. En ik zag er wel het voordeel van in voor onze minder gepigmenteerde toekomst. Zoals Agatha Christie die, getrouwd met een archeoloog, zei: ‘Ik kon niet beter kiezen. Hoe ouder ik word, hoe meer hij van me houdt’. Toch nam ik het zekere voor het onzekere en verfde mijn haar in de oorspronkelijke kleur. Ik vond het alleen erg dat die krullen verdwenen, want ze verminderen, denk ik, de kans op een bad hair day. En op een scheve pruik.

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.