Column Frieda Joris - Niet morgen maar nu

Tegen mijn voorzichtige natuur in gaf ik de chirurg stante pede al mijn vertrouwen.
Frieda Joris
Uit Leven, editie 93, januari 2022

Frieda Joris, journalist en auteur, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Auteur: Frieda Joris - Fotograaf: Filip Claessens

Ik ben er altijd van uitgegaan dat vertrouwen verdiend moet worden. Dat het vakkundig opgebouwd wordt als de Antwerpse kathedraal, steen voor steen onder het oog van een ervaren en alerte bouwmeester. Een hand in het vuur steken voor een ander vereist vele jaren geloof, hoop en liefde. Er zijn maar een paar mensen voor wie ik dat zou doen. Niet zoveel, ik koester mijn handen en de gezonde portie wantrouwen die me ervoor behoedt over twee sloten tegelijk te springen.  

Ik rekende er dan ook op dat ik, als mij iets ernstigs zou overkomen, mijn vel duur zou verkopen. Ik zou niet de eerste de beste blindelings volgen maar wikken en wegen en mijn licht ook bij anderen opsteken. Een second opinion zoeken en, als het even kon, een third ook. Aan mijn lijf geen polonaise zonder grondig overleg. 

Toen ik hem die eerste keer zag, betastte hij mijn rechterborst en voor ik het besefte, was ik die kwijt. Ik was dus op mijn hoede toen ik hem bij zijn pensioen een hand gaf, en wees hem erop dat hij die niét mocht houden.

Wat kende ik mezelf slecht. Toen ik van die voor mij vreemde oncologisch chirurg hoorde dat ik kanker had, twijfelde ik geen seconde. Hij draaide niet rond de pot, dat gezwel moest zo snel mogelijk weg en ik geloofde hem op slag. Als het aan mij had gelegen, mocht hij me daar onmiddellijk in slaap brengen en opensnijden. Ik wou zo snel mogelijk onder het mes, dat kwaad moest wég. Niet morgen, niet seffens, niet subiet, niet weldra maar nu! Maintenant, tout de suite. Een tweede mening halen, de input van een andere dokter, kwam niet eens bij me op. Ik wist dat ik in een goed ziekenhuis te rade ging en ik had borstkanker zoals een op de acht vrouwen overkomt. Die arts zag er zeer integer uit en hij had al honderden patiënten voor mij geholpen. Dus: hop met de geit. Ik gaf hem stante pede al mijn vertrouwen. Helemaal tegen mijn voorzichtige natuur in. 

Achteraf kan ik zeggen dat ik niet mezelf was, en dat klopt. Ik was totaal van de kaart, al denk ik dat daar weinig van te zien was. Ik stelde een paar praktische vragen en keek naar ’s mans handen. Stevige knuisten met forse vingers, zouden die wel genoeg Fingerspitzengefühl hebben om mijn wonden fijn te hechten, dacht ik in een gekke opwelling.  

De oncoloog hield me ondertussen nauwlettend in het oog want ik was, nietsvermoedend, heel alleen naar de consultatie gekomen. Ik verkeerde in de vaste overtuiging dat ik kerngezond was en de punctie alleen een vetbolletje aan het licht zou brengen. Weer een misvatting, die kanker tastte ook mijn zekerheden grondig aan. Mijn ware aard uitte zich alleen nog door de tranen die onderweg naar huis voor een troebel wegbeeld zorgden. 

De arts heeft mijn vertrouwen gelukkig niet beschaamd en we hebben mekaar in de loop der jaren beter leren kennen. Hij is nu met pensioen en bij zijn afscheid heb ik hem, lachend, een gevaarlijk man genoemd. Toen ik hem die eerste keer zag, betastte hij mijn rechterborst en voor ik het besefte, was ik die kwijt. Ik was dus op mijn hoede toen ik hem na de receptie een hand gaf, en wees hem erop dat hij die niét mocht houden. De kus op zijn wang wel. Ik ben niet haatdragend en die heeft hij meer dan verdiend. 

 

Uw reactie op deze column is altijd welkom. Mail ons via leven@komoptegenkanker.be.

Leven

Dit artikel is verschenen in het magazine Leven van Kom op tegen Kanker. U kunt hier alle verhalen uit het magazine lezen.